arifit
nederlandse uitleg

De grammatica, hertaald

Het volledige boek van Mourigh & Kossmann, hoofdstuk voor hoofdstuk uitgelegd in begrijpelijk Nederlands. Voor wie wil begrijpen waarom Tarifit doet wat het doet.

Cursus-aantekeningen

Bron: Mourigh & Kossmann (2019), An Introduction to Tarifiyt Berber (Nador, Morocco).

Schrijfwijze: het Latijns-Berber alfabet zoals gebruikt op learntarifit. Waar het boek š, č, ǧ, ž schrijft, schrijven wij c, tc, dž, j. Voorbeelden zijn waar nodig naar deze conventie omgezet.

Pagina-referenties: aan het begin van elk hoofdstuk en bij belangrijke subhoofdstukken staat de bron-pagina vermeld als 📖 Boek p. X. Open de PDF op de boek-pagina om mee te lezen.


Hoofdstuk 1 — Wat is Tarifit?

📖 Boek p. 9–19

Korte introductie tot de taal die deze cursus behandelt: waar hij wordt gesproken, hoe hij zich verhoudt tot andere talen, en welk dialect we hier leren.

De taal in het kort

De zelfreferentie is ṯmazixt (algemeen, voor elke Berbertaal) of ṯarifecṯ (specifiek "Riffijns"). De Latijnse naam Tarifiyt die in het boek wordt gebruikt — en op deze site — is een omzetting van ṯarifecṯ. Letterlijk betekent dat "het Riffijnse"; in Berbertalen worden taalnamen altijd in de vrouwelijke vorm uitgedrukt, vandaar de typische omhulling met aan begin en eind.

De taal wordt gesproken in noordoost-Marokko, in en rond het Rifgebergte: Nador, Al Hoceima, Driouch en omliggende dorpen. Ongeveer 1,35 miljoen sprekers in Marokko (4 % van de bevolking), met grote gemeenschappen in Nederland, België, Duitsland en Spanje. Sinds 2003 heeft Berber officiële status in Marokko, met onderwijsprogramma's. Die gebruiken een gestandaardiseerde versie die voor een Nador-spreker nauwelijks herkenbaar is — andere takken van Berber komen erin terug, en veel Arabische leenwoorden zijn vervangen door nieuw bedachte Berberse equivalenten.

Verwantschap met Arabisch

Tarifit hoort tot de Berberse tak van de Afro-Aziatische talenfamilie. Arabisch zit in dezelfde familie maar in een andere tak (Semitisch). De verwantschap is reëel maar afstandelijk — vergelijkbaar met die tussen Engels en Russisch: beide Indo-Europees, verschillende takken. Dat verklaart waarom Tarifit vol Arabische leenwoorden staat zonder dat de talen zustertalen zijn.

Welk dialect?

Het boek behandelt het dialect van Nador, specifiek dat van de stam Iqeṛɛiyen in Aziɣnɣan (Zeghanghane). Andere Tarifit-varianten — bijvoorbeeld die van de Ayt Weryaghel rond Al Hoceima — wijken af in uitspraak en woordenschat. Niets is fout, maar wat in deze cursus staat klinkt het meest natuurlijk in monden uit Nador en de omliggende dorpen.

Spanje heeft het Rifgebied tussen 1912 en 1956 gekoloniseerd, en de stadsstaat Melilla — op 14 km van Nador — is nog Spaans. Die geschiedenis zit verankerd in de woordenschat. Voorbeelden van Spaanse leenwoorden: aspanyu (Spanjaard), řbanku (bank, uit banco), řkasi (stoel), kisu (kaas, uit queso).

Schrift

Op deze site gebruiken we het Latijns-Berber alfabet zoals op learntarifit. Dat sluit aan bij wat de meeste Riffijnen in praktijk zelf schrijven. Daarnaast bestaan:

  • Tifinagh (ⵜⵎⴰⵣⵉⵖⵜ) — sinds 2003 de officiële standaard in Marokko, gebruikt in onderwijs en op straatbordjes.
  • Arabisch schrift — vooral in religieuze contexten.
  • Internet-spelling — informeel, met cijfer-substituties: 9 voor q, 3 voor ɛ, 7 voor , gh voor ɣ, kh of ch voor x. We gebruiken dit hier niet — één teken per klank houdt de zaak helder.

Glossen — afkortingen die je in het boek tegenkomt

Het boek annoteert voorbeeldzinnen met korte codes. De meest voorkomende:

CodeBetekenis
PPerfectief (afgeronde actie of toestand)
IImperfectief (lopende actie of gewoonte)
NPNegatief Perfectief
NINegatief Imperfectief
FSFree State (vrije staat van een naamwoord)
ASAnnexed State (verbonden staat)
IOIndirect Object (meewerkend voorwerp)
DODirect Object (lijdend voorwerp)
M / FMannelijk / Vrouwelijk
SG / PLEnkelvoud / Meervoud
QAhet partikel qa ("nu relevant")
PASThet partikel ṯuya ("verleden")
Qhet vraagpartikel ma
XADhet modale partikel xa(d)
PREDpredicatieve d (vóór predicaat)

De volledige lijst staat op p. 18–19 van het boek.


Hoofdstuk 2 — Klanken, schrijfwijze en uitspraak

📖 Boek p. 21–33

Hoe Tarifit klinkt, hoe het op verschillende manieren wordt geschreven, en waarom sommige woorden er anders uitzien dan je zou verwachten. Wie de klanken eenmaal te pakken heeft, klinkt meteen veel natuurlijker.

2.1 Hoe schrijf je Tarifit?

📖 Boek p. 21–23

Er bestaat geen officieel schrijfsysteem voor Tarifit. In de praktijk circuleren vier varianten:

1. Wetenschappelijke transcriptie — gebruikt door taalkundigen. Probeert elke klank zo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Het boek gebruikt dit systeem.

2. Afgesproken Latijnse spelling — vastgesteld in 1996 in Utrecht. Klinkt logisch maar wordt in praktijk nauwelijks gebruikt: hij maakt onderscheid in klanken die in Tarifit niet bestaan, en verbergt andere die er wél zijn.

3. Praktische Latijnse spelling — soepelere versie van het bovenstaande, waarbij schrijvers de lastige punten weglaten. Komt voor in de meeste gedrukte Berberse literatuur.

4. Internetspelling — volledig individueel. Iedereen schrijft op zijn eigen manier, vaak afhankelijk van de Frans-, Nederlands- of Arabische schrijfgewoonten die hij heeft geleerd. Een paar tekens zijn wijdverbreid:

InternettekenKlank
9q
3ɛ (de ayin, zoals in Arabisch)
7
ghɣ
kh of chx

2.2 De klinkers

📖 Boek p. 24

Tarifit heeft drie echte klinkers en één bijzondere.

LetterKlankVoorbeeld
aals de a in badaayaz "man"
ials de ie in bieriaḏen "tarwe"
uals de oe in boekaḏu "onder"

De schwa e

De e is een korte tussenklinker — zoiets als de u in het Engelse but. Hij hoort er fonologisch bij maar valt in snel gesprek vaak weg. Drie regels:

  • De schwa staat nooit in een open lettergreep — als hij daar door een grammaticale stap zou belanden, valt hij weg of wordt de omliggende medeklinker langer.
  • Hij verschuift naar de voorlaatste medeklinker van een cluster. Vuistregel: het werkwoord xdem "werken" wordt in vervoeging xeḏmey "ik werk" — de schwa schuift naar de positie vóór de tweede medeklinker.
  • Moedertaalsprekers weten waar hij hoort, maar spreken hem in snelle spraak vaak niet uit. De transcriptie in het boek noteert hem altijd, ook als je hem in praktijk niet hoort.

Klinkers naast donkere medeklinkers

Naast de zogenaamde faryngaliseringsmedeklinkers (zie §2.5) klinken klinkers doffer en dieper. De a wordt meer naar achteren in de mond uitgesproken, de u klinkt eerder als een o. Dit is geen losse regel die je hoeft te leren — het gebeurt vanzelf zodra je de medeklinkers goed uitspreekt.

2.3 De medeklinkers

📖 Boek p. 25

Tarifit heeft een uitgebreider medeklinkersysteem dan Nederlands of Frans. Om het overzichtelijk te houden: drie groepen.

Groep 1 — Vertrouwde klanken

Deze letters klinken zoals je ze kent uit het Nederlands of Engels: b, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, r, s, t, w, y, z. Sommige hebben in Tarifit een zachte of donkere variant — die komen verderop.

Groep 2 — Keelklanken

Voor wie Tarifit niet als moedertaal heeft, zijn dit de meest onbekende klanken. Ze worden achter in de keel gemaakt.

LetterHoe het klinktVergelijking
ɣArabische ﻍ — "gh"als in Maghreb; ook vergelijkbaar met de zachte Nederlandse g zoals in Groningen
xscherpe keel-chNederlands ch in lachen, Arabisch خ
qk achter in de keelArabisch ق — geen Nederlandse equivalent
ɛknijpende keelklankArabisch ع — de ayin
schurende, geforceerde hArabisch ح — harder en scherper dan een gewone h
hgewone hNederlands huis
Tip voor q, ɛ en ḥ

Wie Arabisch kent, herkent dit als ق, ع en ح — exact dezelfde drie klanken. Voor wie geen Arabisch kent: er zijn veel video's te vinden van Arabische uitspraaklessen waarin deze drie in detail worden behandeld.

Groep 3 — Speciale varianten

Sommige bekende medeklinkers bestaan in Tarifit in twee versies: een gewone en een aangepaste. De aanpassing wordt aangegeven met een streepje of lijntje onder de letter (zachte versie) of een puntje onder de letter (donkere versie). Meer hierover in §2.4 en §2.5.

2.4 Spirantisering — de zachte varianten

📖 Boek p. 26

De stops b, d, t, g, k worden in de meeste omstandigheden niet hard uitgesproken maar zacht en blazend. Dit heet spirantisering. Het boek markeert deze klanken met een streepje of lijntje onder de letter.

LetterZachte uitspraakVergelijking
zachte v-achtige klankSpaanse zachte b, lippen sluiten niet helemaal
als th in Engels thistong tussen de tanden
als th in Engels thinktong tussen de tanden, stemloos
als ch in Duits ichin Nador-Tarifit is deze klank vrijwel verdwenen — vervangen door een s
gin Nador volledig vervangen door yuguruyur

Wanneer blijft de klank wel hard?

Drie situaties:

  1. Als de medeklinker verdubbeld is: yeddaa "hij woont" — de dd is hard.
  2. Direct na n: yenḏu "hij sprong" — de d direct na n is hard.
  3. In een medeklinkercluster aan het einde van een woord: ṯafunasṯ "koe" — de t aan het eind blijft hard.

In leenwoorden uit het Arabisch of Spaans blijven de letters meestal ook hard:

  • řbanku (bank, uit Spaans banco)
  • atay (thee, uit Marokkaans Arabisch)
  • kisu (kaas, uit Spaans queso)
Dialect-verschil

In Iqeṛɛiyen-Tarifit (Nador) is vrijwel verdwenen en is g regelmatig y geworden. In andere Rif-dialecten (zoals Ayt Weryaghel rond Al Hoceima) bestaan die klanken nog wel.

2.5 Faryngalisering — de donkere varianten

📖 Boek p. 27

Sommige medeklinkers worden uitgesproken met extra spierspanning achterin de keel, waardoor ze voller en donkerder klinken. Vergelijkbaar met de "nadruk"-medeklinkers in het Arabisch (ص، ض، ط، ظ). Het boek markeert ze met een puntje onder de letter.

LetterWat het isArabisch equivalent
donkere stop-d (en in spirantiserende contexten een donkere "th"-d)ض / ظ
donkere tط
donkere z
donkere sص
donkere r
donkere lل (zeldzaam in Tarifit)

De heeft twee uitspraakvarianten: een harde en een geblazen ("th"-achtige) versie. Welke je gebruikt hangt af van de positie in het woord — in praktijk leer je dat per woord.

Belangrijke eigenschap: faryngalisering verspreidt zich door het hele woord. Zit er één donkere medeklinker in, dan kleurt de hele rest mee. In nẓum "wij vasten" is alleen de formeel donker, maar de n en u klinken in praktijk ook donkerder.

Van deze letters komen , en het meest voor in woorden van Berberse oorsprong. , en staan vooral in leenwoorden uit het Arabisch of Spaans.

2.6 De ng-klank (η)

📖 Boek p. 28

De klank η — dezelfde als de ng in het Engelse king — bestaat in Tarifit alleen vóór een w. Het is een automatische variant van n.

  • yegʷa "het kookte" — de stam-n wordt automatisch η-achtig in uitspraak
  • gʷaman "van het water" — uit n waman: de n assimileert tot ŋw

Dit hoef je niet actief te leren — het gebeurt vanzelf bij het uitspreken.

2.7 De gelabializeerde ggʷ en kkʷ

📖 Boek p. 28

Bij deze klanken rond je je lippen tijdens de uitspraak — vergelijkbaar met de qu in Engels quick. Ze bestaan alleen als verdubbelde medeklinker: nooit als losse gw of kw.

  • aḏeggʷaṛ "schoonvader"
  • yeddakkʷaḥ "hij gaat altijd naar huis"

2.8 De l die veranderd is — l, ll en wat ervan geworden is

📖 Boek p. 28–29

Een van de meest opvallende klankverschijnselen van Tarifit. In andere Berbertalen bestaat gewoon de l. In Tarifit zijn er in de loop van de geschiedenis twee veranderingen opgetreden:

  • De enkele l is een r-achtige klank geworden, geschreven als ř (r met een haakje). In uitspraak lijkt het sterk op de gewone r, maar heeft minder invloed op de klinkers eromheen.
  • De dubbele ll is een klank als de j in Engels joke geworden, geschreven als ǧ.

Dat verklaart waarom je in vervoegingen soms andere medeklinkers ziet voor dezelfde stam:

  • yeqřa "hij bakte" tegenover iqeǧǧa "hij bakt altijd" — de ř wordt ǧǧ bij verdubbeling
  • ǧiřeṯ "nacht" — uit Marokkaans Arabisch l-lila: de eerste ll werd ǧ, de tweede l werd ř
Patroon herkennen

Zie je een ǧ? Dan zat daar oorspronkelijk een ll. Zie je een ř? Dan zat daar een l. Een vrouwelijk woord op -c? Dan was de stam-eind oorspronkelijk en is de vrouwelijke -ṯ daarmee samengevallen. Voorbeeld: ameǧač komt uit ameǧař + ṯ — meervoud ṯimeǧařin. Eén woordfamilie waarin ǧ, ř en č alle drie sporen zijn van dezelfde oude l.

2.9 De r in Nador — een klank die klinker wordt

📖 Boek p. 28

Misschien de meest opvallende uitspraakregel van Nador-Tarifit, en de reden dat veel woorden er anders uitzien dan in andere dialecten.

De regel: wanneer een r niet direct gevolgd wordt door een echte klinker (a, i of u), wordt hij in Nador niet als r uitgesproken. In plaats daarvan wordt de klinker ervóór langer. De schwa (e) telt daarbij niet als echte klinker.

Het boek schrijft deze verandering met een extra a achter de klinker:

Wat er stondHoe het klinktVoorbeeld
er of araa(historische vorm) yekkeryekkaa "hij stond op"
urua(historische vorm) curducuaḏu "vlo"
iria(historische vorm) irdeniaḏen "tarwe"

Dit geldt ook voor de donkere : aṛ wordt aa, uṛ wordt ua, iṛ wordt ia.

Wanneer blijft de r wel hoorbaar? Wanneer hij direct voor een echte klinker staat. Hij klinkt dan als een korte tik-r, vergelijkbaar met de Spaanse r in pero. Voorbeelden: ari "esparto-gras", aṛu "geboorte geven".

De dubbele rr wordt als triller uitgesproken, zoals de rr in Spaans perro. Hij heeft hetzelfde verlengende effect op de klinker ervóór als de enkele r.

2.10 Verdubbelde medeklinkers (geminatie)

📖 Boek p. 29

Wanneer een medeklinker dubbel geschreven is, hou je hem langer aan. Geen spelling-kwestie — geminatie kan de betekenis veranderen. Voorbeeld: yezḏey "hij woont" tegenover izeddey "hij woont altijd" — alleen de dubbele dd verschilt.

Onregelmatige verdubbeling

Bij een aantal medeklinkers is de verdubbelde versie niet gewoon twee keer dezelfde klank, maar een andere klank:

EnkelvoudVerdubbeldVoorbeeld
ṭṭyenḍu "hij sprong" → inettu "hij springt altijd"
wkkʷyedweř "hij keerde terug" → yeddakkʷař "hij keert altijd terug"
ɣqqyenɣa "hij doodde" → ineqq "hij doodt altijd"
řǧǧyemřes "hij trouwde" → imeǧǧes "hij trouwt altijd"

Deze patronen zijn vooral relevant voor werkwoorden: dezelfde stam, andere vorm in de Imperfectief.

2.11 Semivowels w en y

📖 Boek p. 30

In Tarifit zijn w en y als medeklinkers duidelijk te onderscheiden van de klinkers u en i. Dat is niet in alle Berbertalen zo. Twee situaties waar het onderscheid wegvalt:

  1. Als ye- of we- in een open lettergreep komen, worden ze i- of u-. Voorbeeld: yefhem "hij begreep" tegenover ifehm-as "hij begreep het voor hem".
  2. Aan het einde van een woord veranderen -ey en -ew in -i en -u. Voorbeeld: (historisch) yufeyyufi "hij ging omhoog", (historisch) yenḏewyenḏu "hij sprong".

2.12 Klanken die elkaar beïnvloeden (assimilaties)

📖 Boek p. 30–32

Geen spirantisering aan het woordeinde

In Iqeṛɛiyen-Tarifit (Nador) krijgt de laatste medeklinker van een cluster aan het einde van een woord geen zachte uitspraak. ṯaɛeḏḏisṯ "buik" eindigt op een harde t, niet de zachte variant. Dit is dialect-specifiek — in Ayt Seid (oostelijker) geldt dit niet.

De vrouwelijke -ṯ verandert de letter ervóór

Vrouwelijke woorden eindigen op -ṯ. Die uitgang botst met de laatste medeklinker van de stam, wat tot samensmelting leidt:

Stam + -ṯResultaatBetekenis
ṯazeǧab + ṯṯazeǧafṯkleine djellaba
ṯalwiz + ṯṯalwisṯgoudmunt
ṯmaziɣ + ṯṯmazixṯBerbertaal
ṯabriḏ + ṯṯabriṭpad
ṯameǧař + ṯṯameǧačei (V)

In het meervoud verdwijnt de uitgang en zie je de oorspronkelijke stam terug: ṯameǧač (ei) — meervoud ṯimeǧařin.

Geen spirantisering na n

Na de alveolaire nasaal n worden zachte medeklinkers hard. Dit geldt ook over woordgrenzen heen, hoewel het boek dat in transcripties niet altijd weergeeft.

De voorzetsels ḏi en zzi voor klinkers

Het voorzetsel ḏi "in" en zzi "van/uit" veranderen wanneer ze voor i, y, w of u staan: ze worden ḏegg of zegg.

  • ḏi yifriḏegg ifri "in de grot"
  • zzi iḏuraazzegg ḏuraa "van de bergen"

Voor w of u wordt het ḏeggʷ of zeggʷ.

Het partikel n "van" gedraagt zich onregelmatig

  • Vóór u of i: de n valt volledig weg. ṯaḏḏarṯ ujeǧiḏ "het huis van de koning" — de n is onzichtbaar.
  • Vóór w: de n wordt een η (ng-klank).
  • Vóór een lipklank, keelklank of l: de n assimileert volledig. Voorbeelden: m midden "van mensen", f Faḍma "van Faḍma", l ralla "van de mevrouw".

Samenvatting

ConceptKernpunt
SchrijfsystemenVier in omloop — dit boek gebruikt de wetenschappelijke transcriptie
KlinkersDrie echte (a, i, u) plus schwa (e) die vaak wegvalt in spraak
Donkere klinkersKleuren automatisch mee naast faryngaliseringsmedeklinkers
Keelklankenɣ, x, q, ɛ, ḥ — nieuw voor Nederlandstaligen, identiek aan Arabisch غ خ ق ع ح
Spirantiseringḇ, ḏ, ṯ, ḵ, g — zacht behalve verdubbeld, na n, of in een slot-cluster
FaryngaliseringPuntje onder de letter — donkere klank die de hele woordklank kleurt
l → ř / ll → ǧHistorische verandering — verklaart waarom je in vervoegingen verschillende medeklinkers voor dezelfde stam ziet
Gevocaliseerde rr zonder volgende klinker → klinker ervóór wordt lang: ar/eraa, urua, iria
VerdubbelingLang aanhouden — soms verandert de klank zelf (ɣqq, řǧǧ)
ggʷ en kkʷLipronden tijdens uitspraak — alleen als geminaat
Semivowelsw en y zijn aparte medeklinkers van u en i, kunnen samenvallen aan een woordeinde
AssimilatiesVrouwelijke -ṯ, voorzetsels ḏi/zzi en partikel n veranderen klanken op vaste manieren

Hoofdstuk 3 — Zelfstandige naamwoorden

📖 Boek p. 35–50

Hoe de namen van dingen werken in Tarifit: drie woordklassen, twee geslachten, een rijk meervoudssysteem, en het concept dat in het Nederlands niet bestaat — de staat van een woord.

3.1 Drie soorten woorden

📖 Boek p. 35

Tarifit-naamwoorden vallen in drie klassen, te herkennen aan hun begin.

Klasse I — Berber-stijl

Verreweg de grootste groep. Woorden beginnen met een klinker (a, i, u) of met , en bestaan uit voorvoegsel + stam (+ soms achtervoegsel).

  • afunas "rund/stier"
  • ṯafunasṯ "koe"
  • iri "nek"
  • uḏem "gezicht"
  • anu "waterput"

Klasse II — Arabische stijl

Geleende woorden uit het Arabisch (en sommige uit het Spaans). Beginnen meestal met ř- (uit Arabisch l-), l- in modernere leenwoorden, of een verdubbelde medeklinker (dd-, ss-, tt-, zz-).

  • ddexxan "rook"
  • ssaḇun "zeep"
  • řxeḏmeṯ "werk"
  • ttumubin "auto" (vrouwelijk maar zonder aan het eind)
  • Arif "het Rif (gebied)"

Klasse III — Familiewoorden zonder voorvoegsel

Een kleine groep, vooral familietermen. Bijzonder kenmerk: ze bevatten al de betekenis "mijn".

  • baba "mijn vader"
  • yemma "mijn moeder"
  • uma "mijn broer"
  • učma "mijn zus"
Pas op met de Klasse-III-vormen

baba betekent niet zomaar "vader", maar specifiek mijn vader. Voor "zijn vader", "haar vader" of "de vader" is een andere constructie nodig — die komt verderop.

3.2 Mannelijk en vrouwelijk

📖 Boek p. 35–37

Tarifit heeft twee geslachten: mannelijk (M) en vrouwelijk (V). Anders dan in het Nederlands ("de" of "het" zonder duidelijk patroon) zie je het geslacht meestal direct aan de vorm van het woord.

De gouden regel voor Klasse I

Vrouwelijk = mannelijk + ṯ- aan het begin én -ṯ aan het einde.

MannelijkVrouwelijkBetekenis
afunasṯafunasṯrund / koe
aḥenjiaṯaḥenjiaṯjongen / meisje
asaaḏunṯasaaḏunṯmannelijk / vrouwelijk muildier
ayyawṯayyawṯkleinzoon / kleindochter
aabibṯaabifṯstiefzoon / stiefdochter
Patroon herkennen

Begint een woord met én eindigt het op -ṯ? Dan is het bijna zeker vrouwelijk Klasse I.

Soms zijn man en vrouw losse woorden

Net als Nederlands "stier/koe" of "haan/kip" — sommige paren zijn morfologisch ongerelateerd:

MannelijkVrouwelijkBetekenis
aayazṯamɣaaṯman / vrouw
amyanṯyattṯbok / geit
icarriṯixsiram / ooi
yisřeɛawḏapaard / merrie

Mannelijk = groot, vrouwelijk = klein

📖 Boek p. 36

Bij sommige objecten gebruikt Tarifit het geslachtsverschil om groot vs. klein aan te geven:

Mannelijk (groot)Vrouwelijk (klein)Betekenis
attawṯittgroot oog / gewoon oog
fusṯfusṯhand / klein handje
akeccuḏṯakeccuttgrote stok / takje
aqbucṯaqbucṯgrote kruik / kleine kruik
ayenžaṯayenjacṯpollepel / lepeltje

Bij ṯayenjacṯ heeft de stam-eind y samen met de vrouwelijke -ṯ tot -cṯ geleid (zie de assimilatie-regel uit §2.12).

Talen zijn altijd vrouwelijk

De namen van talen krijgen consequent de vrouwelijke vorm. De mannelijke vorm verwijst dan naar de spreker:

Mannelijk (man)Vrouwelijk (taal / vrouw)
maziɣ "Berberman"ṯmazixṯ "het Berbers, een Berbervrouw"
aɛrab "Arabische man"ṯaɛrabṯ "het Arabisch, een Arabische vrouw"
aspanyu "Spaanse man"ṯaspanyuṯ "het Spaans, een Spaanse vrouw"

De stamuitgang verandert door assimilatie: maziɣ + wordt ṯmazixṯ — de ɣ wordt x direct vóór de vrouwelijke . Dezelfde regel verklaart waarom je ṯamɣaaṯ "vrouw" ziet bij stam maɣaa-.

3.3 Enkelvoud en meervoud

📖 Boek p. 37–38

Het Tarifit-meervoud kent veel patronen. Het boek deelt ze in op een hoger niveau in twee hoofdtypes — extern meervoud (alleen affixen veranderen) en intern meervoud (klinkers in de stam veranderen) — plus een gemengde groep die beide combineert. Binnen elk type vallen meerdere subpatronen.

Extern meervoud — affixen veranderen

De stam blijft hetzelfde, alleen voorvoegsel en achtervoegsel wisselen.

Patroon — a- wordt i- (en bij vrouwelijk: ṯa- wordt ṯi- + -ṯ wordt -in):

EnkelvoudMeervoudBetekenis
afunasifunasenrund / runderen
aḥenjiaiḥenjianjongen / jongens
amezzyanimezzyanenkleine (M) / kleinen
ṯafunasṯṯifunasinkoe / koeien
ṯaḥenjiaṯṯiḥenjirinmeisje / meisjes

Intern meervoud — de klinkers in de stam veranderen

EnkelvoudMeervoudBetekenis
ažḏiḏižḏaḏvogel / vogels
azṛuizrasteen / stenen
aslemiselmanvis / vissen

Gemengd — affix én klinker veranderen, of een suffix wordt ingevoegd

Soms wordt -aw- of -iw- ingevoegd vóór het meervoudsachtervoegsel:

EnkelvoudMeervoudBetekenis
uřawenhart / harten
iriirawennek / nekken
ṯittṯiṭṭawinoog / ogen
azizaizizawenblauwe (M) / blauwe (PL)

Suppletief — totaal andere stam

Een kleine groep gebruikt voor het meervoud een ander woord:

EnkelvoudMeervoudBetekenis
umaayeṯmamijn broer / broers
učmaissmamijn zus / zussen
aydiiṯanhond / honden
yisiysanpaard / paarden

Massa-woorden — alleen één getal

Sommige woorden bestaan grammaticaal maar in één getal, vergelijkbaar met Nederlands "melk" (geen "melken"):

  • ayi "melk" — alleen enkelvoud
  • řgih "etter" — alleen enkelvoud
  • aman "water" — alleen meervoud (grammaticaal)
  • iḏammen "bloed" — alleen meervoud

Dat aman en iḏammen grammaticaal meervoud zijn, betekent dat het werkwoord erbij ook in meervoud staat — net als Engels "the trousers are…".

Drievoudige systeem — collectief, eenheid (V), eenheid (PL)

Voor sommige soorten dingen — vooral fruit, groente, planten — heeft Tarifit drie vormen:

Collectief (algemeen)Eén stuk (V)Meer stuks (PL)Betekenis
tteffaḥṯatteffaḥṯṯitteffaḥinappels (algemeen) / één appel / appels
řbananṯbananṯṯibananinbananen (algemeen) / één / meer
xizzuṯxizzuṯṯixizzuṯinwortels (algemeen) / één / meer
řfeřfeřṯifeřfecṯṯifeřfřinpaprika's
řleccinṯaleccinṯṯileccininsinaasappels

Praktisch gebruik:

  • "Ik hou van appels (in het algemeen)" — collectief: tteffaḥ
  • "Geef me een appel" — eenheid: ṯatteffaḥṯ
  • "Drie appels" — meervoud: ṯitteffaḥin

Het collectief is meestal Klasse II (begint met tt- of ř-); de eenheid is Klasse I (ṯa-…-ṯ).

3.4 De staat — Free State en Annexed State

📖 Boek p. 38–39

Dit is het concept dat het meest van Nederlands afwijkt. Een Klasse-I-naamwoord heeft twee vormen, afhankelijk van waar het in de zin staat:

  • Free State (FS) — de basisvorm, "vrijstaand"
  • Annexed State (AS) — wordt gebruikt na bepaalde elementen (zoals voorzetsels en werkwoord-onderwerpen)

Het dichtsbijzijnde wat Nederlands hieraan heeft is "ik" tegenover "mij" — twee vormen van hetzelfde woord, afhankelijk van syntactische positie. In Tarifit gebeurt dit bij alle Klasse-I-naamwoorden, niet alleen bij voornaamwoorden.

De vormverandering

Geslacht / getalFree StateAnnexed State
M:SGafunas "rund"wafunas (of ufunas)
V:SGṯafunasṯ "koe"ṯfunasṯ
M:PLifunasenifunasen (geen verschil) of yifunasen
V:PLṯifunasinṯfunasin

Algemene regels:

  • M:SG a- wordt wa- of u-
  • V:SG ṯa- wordt ṯe- of ṯ- (de a verdwijnt)
  • M:PL meestal hetzelfde, soms een y- ervoor
  • V:PL ṯi- wordt ṯ-

Wanneer Free State?

Het boek noemt vijf contexten:

ContextVoorbeeld
1. Op zichzelf staand (alleen het woord zelf)aayaz "een man"
2. Onderwerp of predicaat in een non-verbale zin (en bij subject vóór het werkwoord)aayaz-a d ayyaw nnes "deze man is zijn kleinzoon"
3. Direct objectyessawař ṯaspanyuṯ "hij spreekt Spaans"
4. Getopicaliseerd element (vooraan, los van de zin)aayaz-enni, yexḏem "die man, hij werkt"
5. Na drie specifieke voorzetsels: aṛ "tot", ḇřa "zonder", amecnaw "zoals"yuzzeř aṛ agiḏun nnes "hij rende tot zijn tent"
ṯus-eḏ ḇřa aayaz nnes "ze kwam zonder haar man"
amecnaw ayyur "zoals een ezel"

Wanneer Annexed State?

Vier contexten:

ContextVoorbeeld
1. Onderwerp na het werkwoordyeqqim waayaz ḏi barra "de man bleef buiten"
2. Na alle voorzetsels behalve aṛ, ḇřa, amecnawbaba-s n waayaz "de vader van de man"
yeccuř-iṯ s waman "hij vulde het met water"
3. Post-topic — element ná de hoofdzind asemmam, uyi-ya "het is zuur, deze melk"
4. Na bepaalde pre-nominale elementen (u-, ayṯ-, bu-, m(u)-)bu wexxam "huiseigenaar" (uit axxam "huis", AS-vorm wexxam)
Geheugensteuntje

"In rust" (alleen, vooraan, als direct object) → Free State. "Na iets anders" (na werkwoord, na voorzetsel) → Annexed State. Uitzondering: na aṛ, ḇřa en amecnaw blijft het woord toch in Free State.

Twee zinnen, dezelfde betekenis, andere staat

Dezelfde uitspraak — "de man werkt" — kan in Tarifit op twee manieren:

  • aayaz yexḏem — onderwerp vóór werkwoord, dus Free State: aayaz
  • yexḏem waayaz — onderwerp na werkwoord, dus Annexed State: waayaz

Beide zijn correct. Het verschil zit in nadruk en stijl, niet in betekenis.

Belangrijke uitzonderingen

  1. Klasse II (Arabische woorden) heeft geen staat-onderscheid: ssaḇun blijft ssaḇun.
  2. Klasse III (familiewoorden) heeft geen staat-onderscheid: baba blijft baba.
  3. Bijvoeglijke naamwoorden staan altijd in Free State, ook als het naamwoord ernaast in Annexed State staat: n waayaz ameqqran "van de grote man" — waayaz is AS, ameqqran blijft FS.

3.5 Klasse II in detail

📖 Boek p. 47

Klasse II (Arabische morfologie) heeft een vast Arabisch lidwoord ingebakken — meestal ř- of l-. Dat lidwoord heeft geen betekenis meer in Tarifit; het is onderdeel van het woord geworden.

Vrouwelijk meestal met -eṯ

  • řyabeṯ "bos"
  • řgeɛḏeṯ "helling"
  • řxeḏmeṯ "werk"
  • řemḥyameṯ "zakdoek"

Sommige vrouwelijke Klasse II hebben geen suffix

  • ttumubin "auto"
  • Modernere leenwoorden uit Arabisch of Spaans krijgen vaak een -a: ttiyara "vliegtuig", řḇumba "bom"

Meervoud volgt het Arabische voorbeeld

Soms simpel met -aṯ:

EnkelvoudMeervoudBetekenis
ttiyarattiyaraṯvliegtuig(en)
ssekwilassekwilaṯschool / scholen
řbankuřbankawaṯbank / banken
lfilemlfilmawaṯfilm(s)

Soms een Arabische klinker-verandering in de stam ("gebroken meervoud"):

EnkelvoudMeervoudBetekenis
zzengeṯzznaqistraat / straten
řyabeṯřeɣwabibos / bossen
ǧiřeṯǧyařinacht / nachten

Klasse II heeft geen Free/Annexed State-onderscheid.

3.6 Klasse III in detail

📖 Boek p. 48

Een kleine groep, vooral familietermen. Bijzonder kenmerk: ze hebben automatisch "mijn" erin.

EnkelvoudMeervoudBetekenis
babaibabaṯenmijn vader / vaders
yemmaṯiyemmaṯinmijn moeder / moeders
umaayeṯmamijn broer / broers
učmaissmamijn zus / zussen
mmi(zelden gebruikt)mijn zoon
yedžiissimijn dochter / dochters
ɛziziɛmumi / ɛwazizimijn oom (vaderlijk)
ɛentiɛwantimijn tante (vaderlijk)
xarixwarimijn oom (moederlijk)
xačixwačimijn tante (moederlijk)
jeddiřežḏuḏmijn opa / voorouders
ḥennaṯiḥennaṯinmijn oma / oma's
lallamijn schoonmoeder, mevrouw

Niet-familiewoorden in Klasse III

  • řaẓ "honger"
  • faḏ "dorst"
  • ṯemẓi "jeugd"
  • macca "eten"

Deze nemen geen voornaamwoord-suffixen. Klasse III heeft geen Free/Annexed State-onderscheid.

3.7 Pre-nominale elementen

📖 Boek p. 49–50

Een paar kleine elementen komen vóór een naamwoord en geven een specifieke betekenis. Het naamwoord erna staat in Annexed State.

u- (M:SG) en ayṯ- / aṯ- (M:PL) — "lid van X-stam"

Voor stam-affiliaties of familiebanden:

  • u Aliman "de Duitser"
  • u Seid "iemand uit de Ayt-Seid-stam"
  • ayṯ Nnaḍuṛ "Nadorianen"
  • ayṯ Seid of aṯ Seid "de Ayt-Seid-stam"

Vrouwelijke vormen: ṯ(u)-…-ṯ voor één vrouw, ṯyayṯ- voor meerdere:

  • ṯuseidṯ "vrouw van de Ayt-Seid"
  • ṯyayṯ Seid "vrouwen van de Ayt-Seid"

bu (M) en m(u) (V) — "iemand met X" / "eigenaar van X"

  • bu lqehwa "koffie-eigenaar / koffiedrinker"
  • m lqehwa "koffievrouw"
  • bu ṯyarrabuṯ "eigenaar van een boot"
  • mu ṯyarrabuṯ "eigenares van een boot"

Met lichaamsdelen krijgt bu-/m(u)- een expressieve waarde:

  • bu yyemzan (M) / m iyemzan (V) "(wo)man met lelijke grote tanden"
  • b uzedjif / m uzedjif "(wo)man met een groot lelijk hoofd"
  • bu ṯquqqusin / mu ṯquqqusin "kindje met mooie ogen"

Samenvatting

ConceptKern
Drie klassenKlasse I (Berber, meeste woorden), Klasse II (Arabisch), Klasse III (familietermen)
GeslachtM en V; vrouwelijk = ṯ- aan begin + -ṯ aan eind (Klasse I)
SuppletiefSommige M/V-paren zijn aparte woorden (aayaz/ṯamɣaaṯ)
Groot/kleinSoms is M=groot, V=klein (attaw/ṯitt)
TalenAltijd vrouwelijk (ṯmazixṯ); ɣ + ṯ wordt xṯ
MeervoudTwee hoofdtypes — extern (alleen affixen) en intern (klinkers in stam) — plus gemengde varianten
Drievoudig systeemCollectief / eenheid (V) / meervoud — vooral fruit, groente, planten
Staat (FS / AS)Alleen Klasse I; afhankelijk van plek in zin
FS-contextenOp zichzelf, vóór werkwoord, als direct object, getopicaliseerd, na aṛ / ḇřa / amecnaw
AS-contextenNa werkwoord, na alle andere voorzetsels, post-topic, na pre-nominaal element
Pre-nominaalu-/ayṯ- (stam-lid), bu-/m(u)- (eigenaar) — naamwoord erna in AS

Hoofdstuk 4 — Werkwoorden

📖 Boek p. 51–64

Hoe je werkwoorden vervoegt en — het belangrijkste verschil met Nederlands — wat aspect betekent. Tarifit denkt niet in tijd (verleden, heden, toekomst) maar in aspect (afgerond, lopend, niet-gerealiseerd).

4.1 De basisvervoeging

📖 Boek p. 51–53

Een Tarifit-werkwoord bestaat uit een stam + vaste affixen. De stam beschrijft de actie, de affixen zeggen wie de actie doet. Er zijn affixen aan de voorkant én aan de achterkant.

De gebiedende wijs (imperatief)

Het simpelst: gewoon de stam zelf.

PersoonVormVoorbeeld
jij (één persoon)STAMqqim "zit!"
jullie (M of gemengd)STAM-eṯ of -emqqimeṯ, qqimem
jullie (alleen V)STAM-entqqiment

De gewone vervoeging

Volledige tabel met voorbeeldwerkwoord qqim "zitten":

PersoonVormVoorbeeld
ik (1SG)STAM-eyqqimey
jij (2SG, M of V)t-STAM-eḏteqqimeḏ
hij (3SG:M)y-STAMyeqqim
zij (3SG:V)t-STAMteqqim
wij (1PL)n-STAMneqqim
jullie (2PL:M / gemengd)t-STAM-emteqqimem
jullie (2PL:V)t-STAM-entteqqiment
zij (3PL:M / gemengd)STAM-enqqimen
zij (3PL:V)STAM-entqqiment

Mannelijk meervoud wordt ook gebruikt voor gemengde groepen. Vrouwelijk meervoud alleen voor groepen die volledig uit vrouwen bestaan.

Klinker-eindigende werkwoorden gedragen zich anders

De tabel hierboven gebruikt qqim als referentie. Werkwoorden die op een klinker eindigen (zoals cfa "zich herinneren", wḏa "vallen") krijgen subtiel andere uitgangen — bijvoorbeeld 2SG met -iḏ in plaats van -eḏ. Voor de volledige variantentabel zie boek p. 51.

4.2 Afgeleide werkwoorden — drie productieve voorvoegsels

📖 Boek p. 54–58

Tarifit heeft drie regelmatige voorvoegsels die de betekenis van een werkwoord aanpassen. Ze zijn enorm productief.

4.2.1 ss- (causatief — "laten / doen")

Voegt "X laten doen" of "X laten gebeuren" toe.

BasisMet ss-Betekenis
ggenfa "genezen"sgenfadoen genezen, helen
azzeř "rennen"ssizzeřlaten rennen
cc "eten"sseccte eten geven, voeren
iaḏ "kleden, dragen"ssiaḏaankleden
aḏef "binnengaan"ssidefbinnenlaten
ffey "uitgaan"ssufeyuit laten gaan

Waar Nederlands twee aparte werkwoorden gebruikt ("eten" / "voeren", "binnenkomen" / "binnenlaten"), doet Tarifit het met één voorvoegsel.

4.2.2 mm- en allomorfen (wederkerig en middel)

Het voorvoegsel mm- markeert dat de actie tussen partijen wederkerig is, of dat het werkwoord een passieve / middel-betekenis krijgt. Het is niet hetzelfde als reflexief ("zichzelf") — daar gebruikt Tarifit een aparte constructie (zie kader hieronder).

De vorm varieert per stam. Het boek noemt vijf allomorfen:

AllomorfWanneerVoorbeeld
mm-standaardvorm vóór medeklinkernḍaa "gooien" → mmenḍaa "gegooid worden"
m-verkorte vorm bij sommige stammenney "doden" → mney "vechten" (= elkaar doden)
mř-vóór stammen die met a beginnenaḏes "dichtbij zijn" → mřaḏas "dichtbij elkaar zijn"
n- / nn-vooral bij stammen met labiale medeklinkerqřeb "omdraaien" → nneqřeb "zich omdraaien"
nnu-specifieke stamtypesqzem "openen" → nnuqzem "geopend worden"

Een paar duidelijke voorbeelden in zinsverband:

  • řaɣa "roepen" → mřaya "elkaar roepen"
  • ney "doden" → mney "vechten" (letterlijk: elkaar doden)
  • qřeb "omdraaien" → nneqřeb "zich omdraaien"
Wederkerig is niet reflexief

Voor "elkaar slaan", "elkaar zien" gebruik je mm- / m- / n-. Voor "zichzelf slaan", "zichzelf aankleden" gebruik je een ándere constructie: ixef nnes (letterlijk: "zijn hoofd / zelf") + werkwoord. Voorbeeld: yewṯa ixef nnes "hij sloeg zichzelf". Een Nederlandstalige is geneigd mm- voor beide te gebruiken — dat is een fout. Onthoud: mm- = "elkaar"; ixef nnes = "zichzelf".

4.2.3 twa- (passief)

Maakt van een actief werkwoord een lijdende vorm.

BasisMet twa-Betekenis
zzu "planten"twazzugeplant worden
cc "eten"twaccgegeten worden

Met twa- kun je niet aangeven door wie de actie gebeurt ("door X"). Wil je "X wordt gegeten door Y" zeggen, dan is een andere constructie nodig.

4.3 Aspect — het verschil met Nederlands

📖 Boek p. 58–64

Voor Nederlandstaligen is dit het belangrijkste concept van het hele boek.

Tijd versus aspect

Nederlands codeert wanneer (verleden, heden, toekomst). Tarifit codeert hoe de actie ervoor staat — afgerond, lopend, of nog niet gebeurd. Dat zijn twee verschillende manieren om naar gebeurtenissen te kijken. Tijd druk je in Tarifit uit met partikels en context; de werkwoordvorm zelf zegt iets over aspect.

De vijf werkwoordvormen:

  • Aorist (A) — neutrale basisvorm, vrijwel altijd met een partikel ervoor
  • Perfectief (P) — afgeronde actie of een toestand
  • Imperfectief (I) — gewoonte, lopende actie, herhaling
  • Negatief Perfectief (NP) — ontkenning van afgeronde actie
  • Negatief Imperfectief (NI) — ontkenning van gewoonte / lopende actie

Hoe één Nederlandse zin meerdere Tarifit-vormen kan zijn

"Ik werk" kan in Tarifit op vier manieren, elk met een eigen aspect:

NederlandsAspectVoorbeeld (werkwoord xḏem)
"Ik werk (gewoonte, mijn beroep)"Imperfectiefxeddmey
"Ik ben aan het werken (nu)"qa + Imperfectiefqa xeddmey
"Ik heb gewerkt / ik werkte (afgerond)"Perfectiefxeḏmey
"Ik zal werken (toekomst)"ad + Aoristad xeḏmey

Engels heeft een soortgelijk onderscheid (I work vs. I am working), maar Tarifit drijft het verder door.

Hoe maak je de Perfectief?

📖 Boek p. 59

Voor de meeste werkwoorden: Perfectief = Aorist (zelfde vorm). Maar enkele groepen kennen een verandering.

a. Werkwoorden die met a beginnen → a wordt u:

AoristPerfectiefBetekenis
azzeřuzzeřrennen
aḏesuḏesdichtbij zijn
aḏefuḏefbinnengaan

b. Werkwoorden zonder klinker (CC of CCC) → krijgen a of i:

AoristPerfectief (geen suffix)Perfectief (met suffix)Betekenis
yezyzayzi-graven
ccccacci-eten
nsnsansi-overnachten

c. Werkwoorden met dubbele medeklinker + aa wordt u:

AoristPerfectiefBetekenis
ffaḏffuḏdorstig zijn
gguagguř(specifieke vorm; volg per werkwoord)

Hoe maak je de Imperfectief?

📖 Boek p. 60–63

De Imperfectief is het meest onregelmatig — meerdere patronen, zonder regels die altijd kloppen. Per werkwoord leren is de praktische aanpak.

Patroon 1 — tweede medeklinker verdubbelen:

AoristImperfectiefBetekenis
řmeḏřemmeḏleren
qřebqeǧǧebomdraaien (ř + b levert ǧǧ)
mseḥmesseḥvegen

Patroon 2 — t- of tt- ervoor:

AoristImperfectiefBetekenis
acaatacaastelen
azzeřtazzeřrennen
ssentessenweten
ffeyteffeyuitgaan
ttutettuvergeten

Patroon 3 — klinker veranderen of toevoegen:

AoristImperfectiefBetekenis
neyneqqdoden
yezqqazgraven
ḵsikessinemen, dragen

Patroon 4 — combinaties van bovenstaande:

AoristImperfectiefBetekenis
beḏḏtbeddaopstaan, staan
ggteggdoen, maken
cctetteten
susessdrinken
iřitiřizijn
rutruhuilen

Hoe maak je de Negatieve vormen?

Negatief Perfectief:

  • Heeft de Perfectief een a in de stam? → wordt i
  • Heeft de Perfectief een u? → blijft u
AoristPerfectiefNegatief PerfectiefBetekenis
wḏawḏawḏivallen
sgenfasgenfasgenfigenezen
afufi-aufivinden
řmeḏřmeḏřmiḏleren
aḏefuḏefuḏifbinnengaan

Negatief Imperfectief:

  • Verander elke a in de Imperfectief naar i
  • Geen a? Dan is hij gelijk aan de positieve Imperfectief
AoristImperfectiefNegatief ImperfectiefBetekenis
beḏḏtbeddatbeddiopstaan
aḏeftadeftidefbinnengaan
ssidefssadafssidifbinnenlaten

Voor ontkenning staat altijd het partikel waa ervoor. Zie Hoofdstuk 13 voor de complete behandeling.

Wanneer welke vorm?

📖 Boek p. 113–115

Aorist — neutraal, alleen met partikels:

  • ad + Aorist = toekomst, wens, mogelijkheid: ad yegg "hij zal doen / mocht hij doen"
  • xad + Aorist = modale variant met sterkere aanname, vaak in een waarschuwing
  • Aorist na een Perfectief in een verhaal — drukt opeenvolgende acties uit ("…en toen X-en, en toen Y-en"). Praktisch belangrijk bij het lezen of vertellen van verhalen.

Perfectief — afgeronde actie of toestand:

  • Verleden: yenna-as "hij zei tegen hem"
  • Toestand zonder tijdsreferentie: Mřič ṯuḏes "Melilla is dichtbij"
  • In voorwaardelijke zinnen na mařa "als"

Imperfectief — gewoonte, lopende actie, herhaling:

  • Gewoonte: qa yetseddae-aney "hij stoort ons altijd"
  • Met qa: lopend nu: qa baba iteddez "mijn vader is aan het stampen"
  • Na hulpwerkwoorden zoals ḇḏa "beginnen", qqim "doorgaan"
Het partikel qa

qa is een pseudo-werkwoord, geen echt werkwoord — het heeft geen vervoeging. Samen met ṯuya (verleden), aqqa (presentatief), tɣiř ("het lijkt") en ay ("alsjeblieft") vormt het de groep pseudo-werkwoorden — uitgebreid behandeld in Hoofdstuk 8.

4.4 Een speciaal werkwoord: "gaan"

📖 Boek p. 64

Het werkwoord "gaan" heeft een onregelmatige set vormen:

AspectVorm
Imperatiefruḥ
Aoristraḥ ~ aaḥ
Perfectiefruḥ
Negatief Perfectiefruḥ
Imperfectiefṯraḥ ~ ṯaḥ
Negatief Imperfectiefṯriḥ ~ ṯiḥ

Verwant: aaggweḥ "naar huis gaan" — een eigen werkwoord dat vaak voorkomt met partikel qa: qa yaggweḥ "hij is naar huis aan het gaan".


Hoofdstuk 5 — Persoonlijke voornaamwoorden

📖 Boek p. 65–71

"Ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij" — als losse woorden én als achtervoegsels op werkwoorden, voorzetsels en familiewoorden. Tarifit heeft daarvoor verschillende sets voor verschillende functies.

5.1 Vrije voornaamwoorden

📖 Boek p. 65

Als zelfstandig woord, meestal in non-verbale zinnen of voor nadruk.

PersoonVorm
iknecc
jij (M)cekk
jij (V)cemm
hijnetta
zijnettaṯ
wijneccin
jullie (M / gemengd)kenniw
jullie (V)kenninṯ
zij (M / gemengd)niṯni ~ niḥni
zij (V)niṯenṯi ~ niḥenṯi

Voorbeelden:

  • necc d Mimun "ik ben Mimoun"
  • d necc "ik ben het"
  • necc, yesseqsa-ayi Mimun "wat mij betreft, Mimoun heeft mij gevraagd"

5.2 Gebonden voornaamwoorden

Gebonden voornaamwoorden zitten vast aan een werkwoord, voorzetsel of familiewoord. Er zijn verschillende sets afhankelijk van functie.

5.2.1 Direct object — "hem, haar, ons"

📖 Boek p. 66–67

De vorm hangt af van de plek: na het werkwoord (set I), na het werkwoord met een extra i (set II), of vóór het werkwoord (na clitic-fronting).

PersoonNa ww (I)Na ww (II, met i)Vóór ww
mijayiayiḏayi
jou (M)c ~ cekkic ~ icekkc
jou (V)cemicemcem
hemtiṯṯ(ṯ)
haariṯṯ(ṯ)
onsaney ~ ayayḏaney ~ ḏay
jullie (M)kenniwikenniwkenniw
jullie (V)kenninṯikenninṯkenninṯ
hen (M)ṯeniṯenṯen
hen (V)ṯenṯiṯenṯṯenṯ
Wanneer welke set?

Set I (zonder i) komt na een werkwoordstam die op een medeklinker eindigt: yecc-iṯ "hij heeft het opgegeten". Set II (met i) komt na een werkwoordstam die op een klinker eindigt — de i dempt de botsing tussen klinker en clitic. De voor-werkwoord-vorm met ḏ- verschijnt bij clitic-fronting (zie Hoofdstuk 7).

Voorbeelden:

  • yessufy-iṯ "hij heeft hem naar buiten gelaten"
  • yecc-iṯ "hij heeft het opgegeten"
  • wi ḏayi-yessufyen? "wie heeft mij naar buiten gelaten?"

5.2.2 Indirect object — "aan hem, aan ons"

📖 Boek p. 67–68

PersoonNa wwVóór ww
aan mijayiḏayi
aan jou (M)acḏac
aan jou (V)amḏam
aan hem / haarasḏas
aan onsaney ~ ayḏaney ~ ḏay
aan jullie (M)awemḏawem
aan jullie (V)akenṯ ~ acenṯḏakenṯ ~ ḏacenṯ
aan hen (M)asenḏasen
aan hen (V)asenṯḏasenṯ

Voorbeelden:

  • wciy-as pabu "ik gaf hem een kalkoen"
  • wi ḏas-yewcin pabu? "wie gaf hem een kalkoen?"

5.2.3 De richting-marker "hierheen"

📖 Boek p. 68–69

Een uniek partikel dat aan het werkwoord vastplakt en zegt: "in de richting van waar de spreker is".

Vergelijk:

  • yedweř ɣaa Naḍuar "hij keerde terug naar Nador" (spreker is niet in Nador)
  • yedweř-d ɣaa Naḍuar "hij keerde terug naar Nador" (spreker is in Nador)

Het werkt vergelijkbaar met Nederlands "hierheen" tegenover "daarheen", maar in Tarifit zit het in het werkwoord ingebouwd met -ḏ.

Bijzondere combinaties: na 3SG:M-DO en 2/3PL:F-DO neemt het deictische clitic de vorm id (niet d):

  • yessiwd-iṯ-id "hij heeft hem hier gebracht"
  • yessiwd-isenṯ-id "hij heeft hen (V) hier gebracht"

Een aanvulling die je vaak in teksten ziet: na een Perfectief van een werkwoord dat in de imperatief geen klinker-eindigt maar in de Perfectief wel i of a heeft, valt de eindklinker weg en verschijnt een schwa: yus-eḏ "hij is gekomen" (niet yusa-ḏ).

5.2.4 Combinaties — vaste volgorde

Bij meerdere clitica is de volgorde altijd hetzelfde:

Indirect Object — Direct Object — (hierheen)

Voorbeeld:

  • yiwy-ac-ṯ-iḏ "hij heeft het hierheen gebracht voor jou"
    • ac = aan jou (IO)
    • = het (DO)
    • iḏ = hierheen

5.2.5 Voornaamwoorden na voorzetsels

📖 Boek p. 69–70

Achter elk voorzetsel komt een vaste set suffixen.

PersoonSuffix
mij-i
jou (M)-ec ~ -k
jou (V)-em
hem / haar-es
ons-ney
jullie (M)-wem
jullie (V)-kenṯ ~ -cenṯ
hen (M)-sen
hen (V)-senṯ

Voorbeelden met akeḏ "met":

  • kiḏi "met mij"
  • kiḏes ~ kis "met hem / haar"
  • kiḏem ~ kim "met jou (V)"

Voorbeelden met ɣaa "bij / naar":

  • yari "bij mij" / "ik heb"
  • ɣaas "bij hem / haar"
  • ɣaaney "bij ons"

Voorbeelden met n "van":

  • inu "van mij"
  • nnec "van jou (M)"
  • nnes "van hem / haar"
De onregelmatige inu

De 1SG-vorm bij n is altijd inu, niet ni zoals je regelmatig zou verwachten. Dat geldt alleen voor n. Bij andere voorzetsels is 1SG gewoon -i: kiḏi "met mij", yari "bij mij".

5.2.6 Bij familiewoorden

📖 Boek p. 70

Familiewoorden (Klasse III) gebruiken dezelfde suffixen, maar zonder spirantisering bij de meervoudsvormen — een gewone harde t, niet een zachte .

Voorbeelden met mmi "mijn zoon":

  • mmi "mijn zoon" (al ingebouwd)
  • mmi-c "jouw zoon"
  • mmi-s "zijn / haar zoon"
  • mmi-tney "onze zoon"
  • mmi-tsen "hun zoon"

5.3 Emphasizers — "zelf"

📖 Boek p. 68 / 71

Tarifit heeft twee aparte elementen om "zelf" of "op eigen kracht" uit te drukken.

nniṯ — nadruk op de actor

Komt na een werkwoord en benadrukt dat het onderwerp het zelf doet:

  • a ṯ-awyey nniṯ "ik zal haar zélf trouwen"

simanṯ n- — "zelf" + persoonlijk voornaamwoord

Krijgt een voornaamwoord-suffix:

  • usiy-d necc simanṯ inu "ik kwam zelf"
  • yegga-ṯ simanṯ nnes "hij deed het zelf"

Verwar dit niet met de reflexief-constructie ixef nnes "zichzelf" uit Hoofdstuk 4.2.2: simanṯ betekent "zelf, op eigen kracht", terwijl ixef nnes betekent "het hoofd / zelf van X" en als lijdend voorwerp staat.


Hoofdstuk 6 — Aanwijzende voornaamwoorden

📖 Boek p. 73–75

"Deze, die, dat-waar-we-het-over-hadden" — Tarifit onderscheidt drie afstanden, met een aparte vorm voor "het eerder genoemde". Plus aparte sets voor zelfstandig gebruik en voor plaats- en tijdsbijwoorden.

6.1 Drie soorten afstand

Drie aanwijzende elementen die als achtervoegsel aan een naamwoord komen:

ElementBetekenis
-a"deze" (dichtbij de spreker)
-in"die" (verder weg, of bij de luisteraar)
-enni"die we eerder noemden" (al genoemd in het gesprek)

Het Nederlands heeft "deze" en "die", maar mist de derde categorie. -enni is vergelijkbaar met Engels "the aforementioned X" of Nederlands "die X waar we het over hadden".

Basis+ "deze"+ "die"+ "eerder genoemd"
aayaz "man"aayaz-aaayaz-inaayaz-enni
stilu "pen"stilu-yastilu-yinstilu-nni
ifassen "handen"ifassenn-aifassenn-inifassen-ni

Vier assimilatieregels

Hoe het achtervoegsel zich voegt naar het woord ervoor:

  1. Na een klinker: vóór -a en -in wordt een y ingevoegd: stilu-ya, stilu-yin.
  2. Na een klinker wordt -enni verkort tot -nni: stilu-nni.
  3. Na schwa + enkele medeklinker wordt die medeklinker verdubbeld: ifassenn-a uit ifassen + a.
  4. Bij woorden met gevocaliseerde r (eindigend op -aa) verschijnt de r weer in de afgeleide vorm: awessaa "oude man" wordt awessar-a "deze oude man" — bij -enni blijft het echter zonder r: awessaa-nni.

6.2 Demonstratieve voornaamwoorden (zelfstandig)

📖 Boek p. 73–74

Naast achtervoegsels heeft Tarifit aparte zelfstandige aanwijzende voornaamwoorden — "deze", "die", "deze (V)", "deze (M:PL)" enz. Deze gebruik je op zichzelf, niet in apposities.

"deze hier""die daar""eerder genoemde"
M:SGwawinwenni
V:SGṯaṯinṯenni
M:PLinainininni
V:PLṯinaṯininṯinni
abstract ("dit ding")ayaayenni
Wel of niet in apposities?

Deze losse voornaamwoorden gebruik je alleen op zichzelf — als zelfstandige aanduiding ("deze is blauw", "wie is dat?"). Voor "deze man" gebruik je géén losse wa + aayaz, maar de suffix-vorm: aayaz-a. Het zelfstandige wa komt vooral voor met d: wa d aayaz "dit is een man".

Emphatische varianten — "deze hier, met nadruk"

Voor extra-nabije aanwijzing kent Tarifit emphatische sets:

  • M:SG wa-niṯa, wa-niṯaṯ, wa-niṯati
  • V:SG ṯa-niṯa, ṯa-niṯaṯ enz.

Deze gebruik je als je écht wilt benadrukken dat iemand "déze hier" is, dichter dan gewoon wa.

Met man "welke"

Voor vragen over een keuze ("welke van die"):

  • man wen "welke (man)"
  • man ṯen "welke (vrouw)"
  • man yin "welke (mannen)"
  • man ṯin "welke (vrouwen)"

Zie ook Hoofdstuk 12 over vragen.

Voorbeelden met de gewone vormen:

  • manaya "wat is dit?" (uit man + aya)
  • manayin "wat is dat?"

6.3 Bijwoordelijke aanwijzers — "hier, daar, zo, nu"

📖 Boek p. 75

Categorie"dichtbij""daar""ver weg""eerder genoemd"
Plaatsḏa "hier"ḏin "daar"ḏiha "daarginds"ḏinni "daar (eerder)"
Plaats (emphatisch)ḏaniṯaḏaniṯaṯḏaniṯati
Padssa "deze kant op"ssinssihassenni
Manierammu "zo, zoals dit"amenni "zo (eerder)"
Tijdřexxu / řexṯu "nu"řexḏenni "toen"

De suffix-vorm op een naamwoord (aayaz-a "deze man") is alleen mogelijk omdat het naamwoord in Free State staat — zie Hoofdstuk 3.4.


Hoofdstuk 7 — Het verbale complex (clitica)

📖 Boek p. 77–82

Hoe alle kleine elementen — preverbale partikels, voornaamwoorden, het richtings-element , voorzetsels — zich rond het werkwoord groeperen. Drie subgroepen, elk met eigen plek en regels.

7.1 Preverbale partikels

📖 Boek p. 77–78

ad — niet-gerealiseerd / toekomst

Markeert dat de actie nog niet gebeurd is.

  • ad yaggweḥ "hij zal naar huis gaan / hij gaat misschien naar huis / hij zou naar huis moeten gaan"
  • a ṯeqgenfa (uit ad ṯeqgenfa) "ze zal genezen"

Vóór een ṯ- of n- assimileert ad en wordt a:

  • a ṯeffeɣ "ze zal naar buiten gaan"
  • a neffeɣ "wij zullen naar buiten gaan"

xad — modale variant van ad

Drukt een sterkere aanname of verwachting uit dat de actie zal plaatsvinden, vaak met de bijklank van een waarschuwing of dreiging. Niet "verder in de toekomst" — het verschil zit in de modaliteit, niet in de tijd.

Voorbeeld:

  • xa yeyya "hij gaat zeker komen" (de spreker is daar zeker van, of waarschuwt iemand)

xad kan niet gebruikt worden in bijzinnen of na vraagwoorden.

ya — variant van ad in bijzinnen

In bijzinnen, vraagwoord-vragen en cleft-zinnen wordt ad automatisch ya:

  • min ya negg? "wat zullen we doen?"
  • umi ya yemmeṯ "toen hij stierf…"

waa — niet

De universele ontkenningsmarker; staat vóór het werkwoord.

  • waa ṯeqqim ca "ze is niet gebleven"
  • waa ṯ-zriy ca "ik heb haar niet gezien"

Bij ontkenning van ad + Aorist gebruik je waa + Negatief Imperfectief, zonder ad:

  • waa gguan ca "ze zullen niet lopen" (niet waa ad uyuan ca)

Het partikel qa

Ook qa staat preverbal, maar gedraagt zich anders dan ad / xad / waa: het kan ook met een non-verbaal predicaat ("hij is daar"). qa is een pseudo-werkwoord — uitgebreid behandeld in Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 13.

7.2 Verplaatsbare clitica

📖 Boek p. 78–79

De volgende elementen staan standaard achter het werkwoord, maar springen naar voren in bepaalde contexten:

  • Indirect-object-voornaamwoorden
  • Direct-object-voornaamwoorden
  • Het richtings-element "hierheen"
  • Voorzetsels met voornaamwoord-suffix
  • Aanwijzende bijwoorden (ḏa, ḏin, enz.)

De volgorde is overal hetzelfde — voor of achter het werkwoord:

IO — DO — — voorzetsel

Voorbeeld:

  • yiwy-am-ṯ-iḏ zzayes "hij heeft het je hier mee gebracht"
    • am = aan jou (IO)
    • = het (DO)
    • iḏ = hierheen
    • zzayes = ermee (voorzetsel met suffix)

7.3 Wanneer springen clitica naar voren?

📖 Boek p. 79–81

Clitic-fronting gebeurt in vijf duidelijk afgebakende situaties.

a. Na ad, xad, waa

  • a cem-awyey "ik zal je trouwen" (cem = jou, vóór het werkwoord)
  • waa cem-ṯiwyey ca "ik zal je niet trouwen"

b. In betrekkelijke bijzinnen

  • aayaz ḏ-yusin "de man die hier kwam"
  • aayaz i ḏ-iwyey "de man die ik hierheen bracht"

c. In cleft-zinnen ("het is X die…")

  • d baba i ḏ-yiwden "het is mijn vader die is aangekomen"

d. Bij vraagwoord-vragen

  • wi ḏ-yusin? "wie is hier gekomen?"

e. Na bepaalde voegwoorden

Niet alle voegwoorden triggeren fronting — alleen een specifieke groep:

  • xemmi "wanneer", umi "toen", qbeř "voordat", aṛ "tot" (temporeel), meɛlik "als (counterfactueel)", mři "indien"

Voorbeelden:

  • umi ḏ-yusa "toen hij hier kwam"
  • aṛ ḏ-ṯaseḏ "tot je hier komt"

Voegwoorden zoals ḥuma, puřki, baš daarentegen veroorzaken geen fronting — daar blijft ad gewoon ad. Zie Hoofdstuk 17 voor de complete indeling per voegwoord.


Hoofdstuk 8 — Pseudo-werkwoorden

📖 Boek p. 83–86

Vijf elementen die zich gedragen als werkwoorden — ze nemen voornaamwoord-clitica — maar geen eigen aspectvervoeging hebben. Ze zijn praktisch onmisbaar voor alledaagse uitdrukkingen: qa, ṯuya, aqqa, tɣiř en ay.

8.1 qa — "huidige relevantie"

📖 Boek p. 83

Het partikel qa markeert dat een actie of toestand relevant is voor het huidige moment. Combineert met andere aspecten en draagt geen eigen tijdsbetekenis.

Voorbeelden:

  • qa-ṯ ḏiha "hij is daar" (op dit moment, voor ons gesprek relevant)
  • baba qa yaggweḥ "mijn vader is naar huis aan het gaan"
  • Mřič qa ṯuḏes "Melilla is dichtbij" (typische taxichauffeur: "we zijn er bijna")

qa kan niet in bijzinnen of in vraagwoord-vragen voorkomen. Bij locatieve uitdrukkingen ("ergens zijn") is qa meestal de standaardkeuze; weglaten geeft een afstandelijke toon.

8.2 ṯuya — "verleden"

📖 Boek p. 84

Plaatst de actie of toestand in het verleden. Net als qa heeft het zelf geen vervoeging — clitica hangen er direct aan.

Voorbeelden:

  • ṯuya-c d ameddukeř inu "jij was mijn vriend"
  • ṯuya-ayi ḏi ṯaḏḏarṯ "ik was thuis"
  • zzman ṯuya ṯnayen n duru tsekkwa "vroeger was twee duro veel waard"
  • mani c-ṯuya? "waar ben je geweest?"

Negatieve vorm: ṯuyi.

8.3 aqqa — "kijk hier!"

📖 Boek p. 84

Een presentatief partikel: wijst iets aan en biedt het de luisteraar aan.

Voorbeelden:

  • aqqa ṯxaḏenṯ "hier is de ring"
  • aqq-eṯ "hier is hij / het"
  • aqq-awem ṯxaḏenṯ "hier is een ring voor jullie"
  • aqq-awem-ṯ "hier hebben jullie het"

Vaak voorafgegaan door ha voor extra aandacht: necc, ha aqq-ayi "wat mij betreft, kijk hier ben ik!"

In de standaardgroet: aqq-ec mliḥ? "ben je goed?" — letterlijk "kijk-jij goed?"

8.4 tɣiř — "het lijkt"

📖 Boek p. 84–85

Drukt een (vermoedelijk onjuiste) gedachte of perceptie uit. Komt in twee constructies voor.

Als pseudo-werkwoord — altijd met indirect object

  • tɣiř-asen ṯemmuṯ "ze dachten dat ze gestorven was"
  • tɣiř-ayi d ssehh "ik dacht dat het waar was"
  • waa ḏayi-tɣiř bu d ssehh "ik dacht niet dat het waar was"

Als regulier vervoegd werkwoord

Naast de pseudo-vorm bestaat een vervoegde variant met een aspectstam:

  • tɣirey d ssehh "ik dacht dat het waar was" (1SG)
  • tɣiren azenna yewda-d "zij dachten dat de hemel was gevallen" (3PL:M)

De vervoegde vorm komt in spreektaal regelmatig voor — afhankelijk van wie er het object van het denken is.

8.5 ay — "alsjeblieft, hier"

📖 Boek p. 85

Gebruikt als je iemand iets aanbiedt of overhandigt. De structuur is altijd: ay + indirect-object-clitic (de ontvanger), eventueel gevolgd door direct-object-clitic (wat je aanbiedt).

VormStructuurBetekenis
ay-amay + IO 2SG:V"alsjeblieft, hier (voor jou V)!"
ay-am-ṯay + IO 2SG:V + DO 3SG:M"hier heb je het (V), voor jou"
ay-awem-ṯay + IO 2PL:M + DO 3SG:M"hier hebben jullie het"

Het indirect-object is altijd verplicht — het direct-object is optioneel als de context al duidelijk maakt wat er aangereikt wordt.


Hoofdstuk 9 — Voorzetsels

📖 Boek p. 87–96

De kleine woordjes die relaties uitdrukken: in, op, naar, met, van, tot, zonder, zoals. Bijna allemaal eisen ze Annexed State na zich — drie uitzonderingen vormen de hoofdregel.

9.1 De basis-voorzetsels

📖 Boek p. 87–88

De staat-regel — drie uitzonderingen

Bijna alle voorzetsels worden gevolgd door een naamwoord in Annexed State. Drie voorzetsels nemen Free State in plaats daarvan: aṛ "tot", ḇřa "zonder" en amecnaw "zoals".

TarifitBetekenisVorm voor naamwoordVorm met voornaamwoord-suffix
ḏiinḏiḏay-
xopxxaf- ~ xa-
ɣaanaar / bijɣaaɣaa
zivan / uitzizzay-
smet (instrument)szzay-
akeḏmet (samen)akeḏ / akkid- ~ akid-
jaatussenjaajara-
aḏu / saḏuonderaḏu / saḏuaḏu nn- / saḏu nn-
iaan / voor (datief)i(via Indirect Object)
nvan (bezit)nnn- / inu
aṛ (+ FS)totaṛ
ḇřa (+ FS)zonderḇřaḇřa + vrij vnw
amzoals (+ AS)amam + vrij vnw
amecnaw (+ FS)zoalsamecnawamecnaw + vrij vnw
den (alleen tussen NPs)dd + vrij vnw

9.1.1 ḏi "in"

  • qa-ṯ ḏi ṯaḏḏarṯ "hij is in het huis"
  • ḏi nnhar-nni "op die dag"
  • ḏayes ṯɣiyiṯ "hij is slim" (letterlijk: er zit slimheid in hem)

Voor klinkers versmelt ḏi: ḏi + w/u → ḏeggw, ḏi + y/i → ḏegg.

9.1.2 x "op"

  • yedweř x uyis nnes "hij keerde terug op zijn paard"
  • yewḏa x weyyur "hij viel van de ezel"
  • yessiweř xafi "hij praat over mij"

9.1.3 zi "van / uit"

  • yessizz-eḏ zi ṯbuaẓeṯ "hij gluurde uit het raam"
  • yus-eḏ zeggw Zayyu "hij kwam uit Zaio"

9.1.4 ɣaa "naar / bij"

Locatie of richting — én de basis voor de bezit-constructie.

  • xeddmen ɣaa ṯamza "ze werken bij de boze heks"
  • ɣaa wezyen n nnhaa "halverwege de dag"
  • ɣaa ṯmeddiṯ "in de namiddag"

Bezit met ɣaa:

  • nettaṯ ɣaas ijj uma-s "ze heeft een broer" (letterlijk: bij haar één broer-haar)
  • yari ijjen ttumubin "ik heb een auto"
Bezit-constructie met naamwoord vereist topicalisatie

Je kunt niet rechtstreeks zeggen ɣaa baba ttmenyaṯ "vader heeft geld". De juiste constructie loopt via topicalisatie: baba, ɣaas ttmenyaṯ "wat mijn vader betreft, bij hem is geld". ɣaa + naamwoord betekent letterlijk een richting of locatie ("naar/bij vader") — niet "vader heeft".

9.1.5 s "met" (instrument)

  • igess aysum-enni s ṯxeḏmesṯ "hij sneed het vlees met een mes"
  • s ṯmazixṯ "in het Berbers"
  • s ǧiřeṯ, s nnhaa "bij nacht, bij dag"

9.1.6 akeḏ "met" (samen)

  • yeggwa akides "hij loopt samen met hem"
  • yetmenya akeḏ uma-s "hij vecht altijd met zijn broer"

9.1.7 jaa "tussen"

  • žar iduraa "tussen de bergen"
  • tmenyanṯ jarasenṯ "ze (V) vechten onderling"

9.1.8 i "aan / voor" (datief)

  • yews-iṯ i weyyur nnes "hij gaf het aan zijn ezel"
  • yews-as-ṯ i Mimun "hij gaf het hem (aan Mimoun)"
Datief wordt vaak dubbel uitgedrukt

In het laatste voorbeeld zie je dat de ontvanger twee keer uitgedrukt is: één keer als clitic -as op het werkwoord, en daarnaast als i Mimun. Dit is geen redundantie maar de standaardconstructie — de IO-clitic en de i-frase verwijzen samen naar dezelfde persoon. Praktisch betekent het: zodra je een datief-NP hebt, krijg je vrijwel altijd ook de bijpassende clitic op het werkwoord.

9.1.9 umi "aan wie" — datief-alternatief

In relatieve bijzinnen en met vraagwoorden gebruikt Tarifit umi in plaats van een los voorzetsel: ḏyenni umi yenya ussen "die mensen voor wie hij de jakhals had gedood". Komt uitgebreid terug in Hoofdstuk 15.

9.1.10 n "van" (bezit)

  • ṯaḏḏarṯ n ṯemɣaṯ-enni "het huis van die vrouw"
  • yeḏji-s n ṯemɣaṯ-enni "de dochter van die vrouw"
  • aaḇɛa n ṯfunasin "vier koeien" (letterlijk: vier van koeien)

9.1.11 aṛ "tot" (+ Free State)

  • teqqim din aṛ ṯameddiṯ "ze bleef daar tot de avond"
  • uyuan aṛ amcan-nni "ze liepen tot die plek"

9.1.12 ḇřa "zonder" (+ Free State)

  • yus-d ḇřa ṯamɣaṯ nnes "hij kwam zonder zijn vrouw"
  • yus-d ḇřa niḥni "hij kwam zonder hen"

9.1.13 am en amecnaw "zoals"

Twee varianten voor "zoals" met verschillend staat-gedrag:

  • am weyyur "zoals een ezel" — am + AS
  • amecnaw ayyur "zoals een ezel" — amecnaw + FS
  • waniṯa d amesřem am necc "deze is een moslim zoals ik"

9.1.14 d "en"

Alleen om naamwoorden te koppelen, niet zinnen.

  • necc d yayeṯma "ik en mijn broers"
  • necc d netta "ik en hij"

9.2 Samengestelde voorzetsels

📖 Boek p. 94–95

Sommige voorzetsels zijn opgebouwd uit een ruimtelijk element + een basisvoorzetsel (i of n):

VoorzetselBetekenis
zzaṭ i / zzaṭ nvóór, tegenover
awaṛn i / awaṛn nachter
ttaaf i / ttaaf nnaast
qibaṛi ntegenover
ajemmaḏ i / naan de andere kant van
swaḏday i / nonder
sennez i / nboven
awriḏ i / nnaar (hierheen)
ayirin i / nnaar (daarheen)

De laatste twee zijn directioneel — ze geven aan in welke richting iets gaat ten opzichte van de spreker. Daarmee zijn ze complementair aan qibaṛi "vóór" en awaṛn "achter" (die positie aanduiden).

Voorbeelden in zinnen:

  • zzaṭ i ṯaḏḏarṯ "voor het huis"
  • zzaṯes "ervoor"
  • awaṛn i ṯaḏḏarṯ "achter het huis"
  • ttaaf nnes "naast hem / haar"

Hoofdstuk 10 — Telwoorden en hoeveelheden

📖 Boek p. 97–102

Tellen (één tot duizend), woorden voor "veel, weinig, elk, alle", en bijzondere adverbiale telvormen voor jaren, maanden, dagen en aantallen keren.

10.1 Telwoorden

📖 Boek p. 97–99

Behalve "één" zijn alle Tarifit-telwoorden uit het Arabisch geleend. Dat verklaart waarom ze van de tweede tot de tien een eigen patroon volgen dat afwijkt van de Berberse morfologie elders.

"Eén" — ijjen (M) / icṯen (V)

Het enige Berberse telwoord, en het enige met geslachtsverschil:

VormGebruik
ijjen (M, op zichzelf)"één man / een"
icṯen (V, op zichzelf)"één vrouw"
ijj (vóór M-naamwoord)ijj uaayaz "één man"
ijj of icṯ (vóór V-naamwoord)ijj ṯemɣaṯ / icṯ ṯemɣaṯ "één vrouw"

"Eén" is ook bijzonder doordat het — anders dan alle hogere telwoorden — geen n "van" gebruikt:

  • icṯ ṯemɣaṯ "één vrouw" (geen n)
  • ṯřaṯa n ṯemyarin "drie vrouwen" (wel n)

Telwoorden 2–10

CijferTarifitMet telbaar woord ("jaren")
2ṯnayenɛamayen (Arabische dualis)
3ṯřaṯaṯeřṯ snin
4aaḇɛaaaḇɛ snin
5xemsaxems snin
6settasett snin
7seḇɛasḇeɛ snin
8ṯmenyaṯmen snin
9tsɛatseɛ snin
10ɛecraɛecṛ snin

11–19

CijferTarifit
11ḥidɛac
12ṯenɛac
13ṯřettac
14aaḇɛtac
15xemmeztac
16settac
17sḇeɛtac
18ṯmentac
19tseɛtac

Tientallen en hoger

CijferTarifit
20ɛicrin
30ṯřatin
40aaḇɛin
50xemsin
60settin
70seḇɛin
80ṯmanyin
90tesɛin
100mya
200miṯayen
1000ařef
1.000.000milyun

Samengestelde getallen

  • 21 — waḥd-u-ɛicrin ("één-en-twintig")
  • 22 — ṯnayn-u-ɛicrin
  • 101 — mya-u-waḥiṯ
  • 300 — ṯeřṯ-mya

Rangtelwoorden — "eerste, tweede…"

Met wiss (M) of tiss (V) + telwoord:

  • ṯamɣaṯ nnes wiss aaḇɛa "zijn vierde vrouw"

10.2 Adverbiale telwoorden

📖 Boek p. 91–92

Voor tijdseenheden en aantal keren bestaan aparte adverbiale vormen. Deze zijn praktisch onmisbaar zodra je tijd-uitdrukkingen probeert te bouwen.

Eenheid123
jaarɛamɛamayenṯeřṯ snin
maandcḥaacehrayenṯřata cuhuṛ
dagnnhaayumayenṯřata iyyam
keerṯwaṛamaaṛatayenṯřata imuṛan

De -ayen-uitgang voor "twee" is de Arabische dualis. Vanaf drie verschijnt weer een gewoon meervoud (al dan niet uit het Arabisch geleend).

10.3 Andere hoeveelheden

📖 Boek p. 100–101

Veel / weinig / iets

TarifitBetekenisVoorbeeld
attas (AS: wattas)veelattas n waman "veel water"
ḏrusweinigḏrus n waman "weinig water"
cwayṯ ~ cwayeen beetjecwayṯ n waman "een beetje water"
řeḇɛaḏeen paarřeḇɛaḏ n ṯemyarin "een paar vrouwen"
caietsca n waman "wat water" / ca n yijjen "iemand"
ca heeft twee functies

Hetzelfde woord komt terug in Hoofdstuk 13 als postverbale ontkennings-partikel: waa ssiney ca "ik weet het niet". Hier is het een indefinite kwantor: ca n X "wat / iets X". Beide gebruiken zijn historisch verwant — qua syntax zijn ze duidelijk gescheiden.

Universele kwantoren — "alle, elk"

TarifitBetekenis
m(m)arraalle
qaɛhelemaal, totaal
mkuř ~ kuřelk, iedere

Voorbeelden:

  • jmeɛ marra arrud nnem "verzamel al je kleren!"
  • kuř aɛecci "elke avond"
  • kuř ijjen yiwi ṯamɣaṯ nnes "iedereen nam zijn vrouw mee"

"Wie / waar dan ook" — mma

  • mani mma ṯexseḏ "waar je maar wilt"
  • mames mma ṯegga "hoe ze het ook deed"
  • kuř mma yus-d "wanneer hij ook kwam"

Hoofdstuk 11 — De naamwoordgroep

📖 Boek p. 103–105

In welke volgorde komen woorden binnen één naamwoordgroep — bijvoorbeeld "die grote man van mij". En hoe gedragen bijvoeglijke naamwoorden zich.

11.1 Volgorde in een naamwoordgroep

De volledige structuur, van links naar rechts:

[onbepaald] [hoeveelheid] (n) [naamwoord]-[bezit-suffix]-[deze/die] [bijvoeglijk] [n + bezit-NP] [marra]

Niet elk slot is altijd ingevuld — de meeste zinnen gebruiken er maar twee of drie tegelijk.

Eenvoudige voorbeelden

  • wenni ameqqran "die grote (man)"
  • uma-s-enni ameqqran "die grote broer van hem"

Met bezit

  • yis-a n Yusef "dit paard van Yousef"
  • tsara ccarie-enni marra "ze liep door die hele straat"

Volledig complex

  • yessi-s-enni n ṯemza "deze haar dochters van de boze heks" (= de dochters van de boze heks)
  • aṛṛzeq nnes marra "al zijn rijkdom"

11.2 Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden zijn in Tarifit eigenlijk een subgroep van naamwoorden. Ze worden net zo verbogen — voor geslacht, getal en staat.

Twee constructies

A. Definitief / bepaald — eenvoudig naast elkaar plaatsen:

  • ṯammuaṯ ṯameqqranṯ "het grote land"
  • ṯammuaṯ-a ṯameqqranṯ "dit grote land"

B. Indefinitief / onbepaald — met predicatieve d:

  • ijjen weyyur d ameqqran "een grote ezel"
  • ayyur d ameqqran "een grote ezel"

Bijvoeglijke naamwoorden staan altijd in Free State, ook als het naamwoord ernaast in Annexed State staat:

  • n waayaz ameqqran "van de grote man"
    • waayaz = AS (na n "van")
    • ameqqran = blijft FS

Bijzonder: jjḏiḏ "nieuw" en nneɣni "ander"

Twee bijvoeglijke naamwoorden veranderen niet met geslacht of getal:

  • qama n jjḏiḏ "het nieuwe bed" (definitief — let op de n)
  • ijjen qama d jjḏiḏ "een nieuw bed"
  • aayaz-a nneɣni "deze andere man"
  • w-enneɣni "de andere (M)" / ṯ-enneɣni "de andere (V)"

Hoofdstuk 12 — Vragen stellen

📖 Boek p. 107–109

Hoe je ja/nee-vragen stelt, hoe je vraagt naar wie/wat/waar/wanneer, hoe je een keuze tussen alternatieven aangeeft (welke X?), en hoe vraagwoorden ook als voegwoord van indirecte vragen werken.

12.1 Ja/nee-vragen

Twee mogelijkheden — met het partikel ma aan het begin, of gewoon met stijgende intonatie.

Met ma:

  • ma yac ca n ṯxaḏenṯ am ṯa? "heb jij een ring zoals deze?"
  • ma d cekk? "ben jij het?"
  • ma iwden-d? "zijn ze hier aangekomen?"

Zonder partikel, alleen met intonatie:

  • d wa? "is het deze?"
  • mliḥ ca? "ben je oké?"

12.2 Vraagwoorden

TarifitBetekenisVoorbeeld
wiwiewi yewṯa uḥenjia-nni? "wie sloeg de jongen?"
min ~ mayenwatmin ṯaazzud? "wat zoek je?"
maniwaarmani ttiřid? "waar woon je?"
maniswaar vandaan / welke kantmanis ya ṯaḏfeḏ? "welke kant ga je op?"
meřmiwanneermeřmi ttettsed? "wanneer slaap je?"
mecḥař ~ cḥařhoeveel / hoe grootmecḥař iwezzen? "hoeveel weegt het?"
mayemmi, mayaa, mixwaarommayemmi ṯetrud? "waarom huil je?"
mamechoemamec yegga manay-a? "hoe heeft hij dat gedaan?"

Combinaties met voorzetsels

  • zi meřmi? "sinds wanneer?"
  • aṛ mani? "tot waar?"
  • min zi ṯuḥřeḏ? "waarvan ben je moe?"
Vraagwoord-vragen zijn cleft-zinnen

Drie syntactische gevolgen die in de praktijk altijd opspelen: (1) clitic-fronting is verplicht na het vraagwoord, (2) ad wordt automatisch ya, (3) er staat geen relatieve i tussen vraagwoord en werkwoord (anders dan bij gewone clefts). Voorbeeld: min ya ṯeggeḏ? "wat zal je doen?" — niet min ad ṯeggeḏ. Deze regels worden uitgewerkt in Hoofdstuk 15.

12.3 "Welke X?" — keuzevragen

📖 Boek p. 109

Voor "welke (van de) X?" combineert Tarifit man met een aanwijzend element:

VormGebruik
man wenwelke (man)
man ṯenwelke (vrouw)
man yinwelke (mannen)
man ṯinwelke (vrouwen)
mana / manawy- / manay-welk (algemeen, met naamwoord)

Voorbeelden:

  • mana ttumubin ṯawyeḏ? "welke auto heb je gepakt?"
  • man wen i ḏ-yusin? "welke (man) is hier gekomen?"

12.4 Vraagwoorden als voegwoord — indirecte vragen

📖 Boek p. 109

Een vraagwoord kan ook in een bijzin staan: dan werkt het als voegwoord ("waar / wanneer / hoe"). Het gebruik hangt af van het werkwoord in de hoofdzin.

Bij negatieve hoofdzin (typisch waa ssiney "ik weet niet"):

  • waa ssiney mani ṯeqqim "ik weet niet waar ze is gebleven"
  • waa ssiney meřmi ṯawḏ "ik weet niet wanneer ze aankomt"

Bij positieve hoofdzin (zoals yessen "hij weet") gebruik je daarentegen illa of belli "dat" — zie Hoofdstuk 16. Het verschil tussen "weten + indirecte vraag" en "weten + dat-zin" is dus structureel verankerd in Tarifit.


Hoofdstuk 13 — Aspect, modus en ontkenning

📖 Boek p. 113–127

De praktijk van werkwoordsvormen: wanneer kies je welk aspect, hoe druk je "zijn" uit, en hoe ontken je. Diept §4.3 uit en behandelt ontkenning systematisch.

13.1 Wanneer welk aspect?

📖 Boek p. 113–115

Samenvattende tabel:

Wat wil je zeggen?Vorm
Bevel ("Ga!")Imperatief
Toekomst ("Ik zal gaan")ad + Aorist
Modale aanname / waarschuwing ("Ik ga zeker")xad + Aorist
Verleden ("Ik ging")Perfectief
Toestand ("Hij is dichtbij")Perfectief (statief)
Gewoonte ("Ik ga altijd")Imperfectief
Lopend nu ("Ik ben aan het gaan")qa + Imperfectief
Heden algemeen ("Ik woon in…")Imperfectief (eventueel met tiři)
Niet doen ("Ga niet!")waa + Imperfectief
Niet gedaan ("Ik ben niet gegaan")waa + Negatief Perfectief
Niet doen (gewoonte) ("Ik ga nooit")waa + Negatief Imperfectief

13.2 qa + verschillende aspecten

📖 Boek p. 115–117

CombinatieBetekenis
qa + ad + AoristSterke waarschuwing of aandrang
qa + ImperfectiefLopende actie ("aan het … zijn")
qa + PerfectiefVoltooid met huidige relevantie

Voorbeelden:

  • baba qa yeggwa-ḏ "mijn vader is aan het komen"
  • qa ɛemmaa ayaṛṛaf s waman "hij heeft de waterkruik (net) met water gevuld"
  • qa yenna-ac ajeǧiḏ "de koning heeft tegen jou gezegd…"
  • qa ṯaaḥeḏ ɣaa barra "pas op dat je niet naar buiten gaat!"
Wanneer laat je qa weg?

Bij locatieve uitdrukkingen ("hij is thuis", "hij is daar") is qa meestal de standaardkeuze. Het weglaten van qa drukt afstandelijkheid of distantie uit. Vergelijk: uma-s qa-ṯ ḏi ṯaḏḏarṯ "zijn broer is thuis" (gewoon, neutraal) tegenover Mřič ḏayes ispunya "in Melilla zijn de Spanjaarden" (zonder qa — geen huidig-relevante locatie, eerder afstandelijk geconstateerd).

13.3 ṯuya — verleden

📖 Boek p. 117–118

Voorbeelden:

  • ṯuya-ṯ d ameddukeř inu "hij was mijn vriend (maar nu niet meer)" (de -ṯ is hier 3SG:M-DO)
  • mani c-ṯuya? "waar ben je geweest?"
  • meɛlik c-ṯuya d uma… "als je mijn broer was geweest…"

Voor de uitgebreide behandeling — inclusief de vervoegingsregels en negatieve vorm — zie Hoofdstuk 8.

13.4 "Zijn"-constructies

📖 Boek p. 119–122

Tarifit drukt "zijn" op verschillende manieren uit, afhankelijk van de soort uitspraak.

A. Non-verbale zin (zonder werkwoord)

Voor algemene toestanden in het heden, met predicatieve d:

  • netta d amezzyan nsen "hij is de jongste van hen"
  • aayaz nnes d lmalik "haar man is de koning"
  • necc ammu "ik ben zo (zoals dit)"

De predicatieve d staat vóór een naamwoord of voornaamwoord, niet vóór een voorzetsel of bijwoord.

B. Met werkwoord iři (P: ǧa, I: tiři)

Wanneer Aorist of Imperfectief nodig is — toekomst, gewoonte, in een bijzin:

  • ad yiři d aayaz "hij zal een man zijn"
  • tiřiy ḏi Tanja "ik woon altijd in Tanger"
  • aayaz-enni yeǧan d uma-s "de man die zijn broer is"
  • Ḷḷah yeǧa "God bestaat"

C. Bezit ("hebben") met ɣaa

  • yari ijjen ttumubin "ik heb een auto"
  • ɣaas ijj uma-s "hij / zij heeft een broer"
Bezit met ɣaa + naamwoord werkt niet rechtstreeks

Je kunt niet zeggen ɣaa baba ttmenyaṯ voor "vader heeft geld". De juiste constructie is via topicalisatie: baba, ɣaas ttmenyaṯ letterlijk "wat mijn vader betreft, bij hem is geld". De ɣaa-bezit-constructie kan dus alleen met een gepronominaliseerde bezitter werken (clitic -as-, -i, enz.). Onderscheid bovendien ɣaa als richting-voorzetsel ("naar/bij") van ɣaa in de bezit-constructie — beide vormen gebruiken hetzelfde woord.

D. Possessieve vraag met yifan

Voor "wiens X is dit?" gebruikt Tarifit een onregelmatige vorm yifan (waarschijnlijk een fossiel van een verloren werkwoord "bezitten"):

  • wi yifan ttumubin-a? "wiens auto is dit?"
  • wi ṯ-yifan? "van wie is het?"
  • wi s-yifan? "van wie ben je een kind?" (= "wie is je vader?")

E. Similatief met gg "lijken op"

Het werkwoord gg betekent "doen, maken" maar ook "lijken op". Met deze derde betekenis druk je gelijkenis uit:

  • yegga am wayrad "hij is als een leeuw"

13.5 Ontkenning

📖 Boek p. 122–127

13.5.1 Preverbale partikels

  • waa — universele ontkenning, in alle contexten
  • wiř / wi — alleen in verbods-zinnen ("doe niet!")

Voorbeelden:

  • wiř ssiweř of waa ssiweř "spreek niet!" — in de negatieve imperatief gebruik je de Imperfectief-stam ssiweř
  • waa issiwiř ca "hij spreekt niet"

13.5.2 Negatieve werkwoordvormen

Positieve vormNegatieve vorm
Imperatiefwaa / wiř + Imperfectief
ad + Aoristwaa + Negatief Imperfectief
Imperfectiefwaa + Negatief Imperfectief
Perfectiefwaa + Negatief Perfectief

13.5.3 Postverbale partikels

De meest voorkomende: ca "iets / niet eens" (in het boek geschreven als š met carón). Naast ca kent Tarifit nog een groep postverbale ontkenners:

PartikelBetekenisVoorbeeld
caalgemeen versterkendwaa ssiney ca "ik weet het niet"
buvóór predicaat (zie kader)waa das-teggen bu wexxam "ze gaan geen huis voor hem maken"
ḥeddniemandwaa ṯ-yezri ḥedd "niemand heeft hem gezien"
walunietswaa ḏas-nnin walu "ze zeiden niets tegen hem"
ura dzelfs nietwaa yari ura d ijjen "ik heb helemaal niemand"
qaɛtotaal, geheelwaa dinni bu ffaaq qaɛ "er is daar helemaal geen verschil"
ɛemmaasnooitwaa ggey ɛemmaas "ik doe het nooit"

Drie regels rond bu

📖 Boek p. 124

De ontkenner bu heeft een paar specifieke syntactische regels:

  1. Een naamwoord na bu staat in Annexed State. Voorbeeld: waa das-teggen bu wexxamwexxam is AS, niet axxam.
  2. bu kan niet samen met ca voorkomen — kies één van beide.
  3. bu is verplicht bij eigendoms-ontkenning: waa ɣaas bu ṯamɣaaṯ "hij heeft geen vrouw" — zonder bu klopt deze constructie niet.

Ontkenning van "zijn"-zinnen

Met waaǧi (samengesteld uit waa + ǧi "is niet"):

  • cem waaǧi bu d yemma "jij bent niet mijn moeder"
  • waaǧi bu amenni "het is niet zo"

Hoofdstuk 14 — Zinsbouw

📖 Boek p. 129–134

Hoe een Tarifit-zin in elkaar zit, en waarom de woordvolgorde structureel anders is dan in het Nederlands. Plus topicalisatie en post-topic — twee manieren om elementen vooraan of achteraan de zin te plaatsen.

14.1 De basisstructuur — VSO

Tarifit is een VSO-taal: werkwoord — onderwerp — lijdend voorwerp — voorzetselgroepen.

Nederlands volgt SVO-volgorde ("De man eet brood"). Tarifit zet het werkwoord eerst ("Eet de man brood"). Dat is een andere informatiestructuur, niet een ander betekenisprincipe.

Voorbeeld:

  • qa yewca baba ttmenyaṯ i Mimun
    • letterlijk: "(qa) heeft.gegeven mijn.vader geld aan Mimoun"
    • vertaald: "Mijn vader heeft geld aan Mimoun gegeven"

Het onderwerp na het werkwoord staat in Annexed State (zie Hoofdstuk 3.4).

Werkwoord zonder lexicaal onderwerp

Het is heel normaal om het onderwerp alleen in de werkwoordsvervoeging uit te drukken — "hij" of "zij" zit al in het voorvoegsel:

  • yus-d "hij is gekomen"
  • yexḏem "hij werkt"

14.2 Topicalisatie — element vóór de zin

📖 Boek p. 130–131

Je kunt elementen vooraan zetten om er nadruk op te leggen. Het getopicaliseerde element staat in Free State, en in de hoofdzin verwijst een voornaamwoord ernaar terug.

TopicalisatieVertaling
necc, wciy-as landris inu i Fatima"ik, ik gaf mijn adres aan Fatima"
landris inu, wciy-as-ṯ i Fatima"mijn adres, ik gaf het aan Fatima"
Fatima, wciy-as landris inu"Fatima, ik gaf haar mijn adres"
nhar-a, wciy-as landris inu i Fatima"vandaag, ik gaf mijn adres aan Fatima"

Bezit met ɣaa + naamwoord vereist deze constructie:

  • ṯamɣaṯ-enni ɣaas ijjen mmi-s "die vrouw heeft een zoon" (letterlijk "die vrouw, bij haar [is] een zoon van haar")

Tarifit kent naast topicalisatie ook focalisatie via cleft-constructies — zie Hoofdstuk 15.3.

14.3 Post-topic — element ná de kern

📖 Boek p. 132

Een element kan ook achter de hoofdzin gezet worden, als nabranden of verduidelijking. Een naamwoord in deze positie staat in Annexed State.

  • d asemmam, uyi-ya "het is zuur, deze melk"
  • qa d aḥenjia, win "het is een jongen, die daar"
Waarom uyi in plaats van ayi?

ayi "melk" verschijnt in de post-topic-positie als uyi — dat is de Annexed-State-vorm (M:SG a- wordt u-). Naamwoorden ná de kern staan in AS, dus uyi-ya volgt automatisch uit de algemene staatregel.


Hoofdstuk 15 — Betrekkelijke bijzinnen

📖 Boek p. 135–138

Hoe je zegt "de man die kwam" of "de auto die ik kocht". Het onderscheid tussen onbepaalde en bepaalde bijzinnen kent eigen syntactische regels — bepaalde bijzinnen hebben er vijf.

15.1 Onbepaalde betrekkelijke bijzinnen

Wanneer het hoofdwoord onbepaald is ("een man die…", "sommige mensen die…") — gewoon zin achter elkaar plakken, normale werkwoordvorm.

  • qa yewt-ayi ijjen sseyyed [ucaay-as aysum] "een man waar ik vlees van had gestolen heeft me geslagen"
  • iwden ɣaa ijjen ṯaḏḏarṯ [ṯexřa] "ze kwamen aan bij een huis dat verlaten was"

15.2 Bepaalde betrekkelijke bijzinnen

Bij bepaalde hoofdwoorden gelden vijf kenmerken:

  1. Geen voornaamwoord dat verwijst naar het hoofdwoord
  2. Bij onderwerps-bijzinnen: het werkwoord krijgt de participium-vorm
  3. Clitic-fronting: voornaamwoorden staan vóór het werkwoord
  4. ad wordt ya
  5. Bij voorzetsel-bijzinnen staat het voorzetsel (in zijn isolated form, zonder voornaamwoord-suffix) direct na de relatieve marker i

Onderwerp-bijzin (met participium)

  • aayaz-enni [d ya yasen] d Mimun "de man die gaat komen is Mimoun"
  • wenni [ixeddmen řebda] ad yedweř d aṛṛzeq "wie altijd werkt zal welvarend worden"
  • wenni [waa ixeddmen ca] ad yeqqim d řmeskin "wie niet werkt blijft arm"

Lijdend-voorwerp-bijzin (met i)

  • xeǧsey s ttmenyaṯ [i ḏayi-yewca baba] "ik betaalde met het geld dat mijn vader me gaf"

Meewerkend-voorwerp-bijzin (met umi)

  • ṯenni [umi ya yegg ṯiggesṯ] "elke vrouw aan wie hij een tatoeage maakt…"
  • aayaz [umi ṯ-wciy] d ameddukeř inu "de man aan wie ik het gaf is mijn vriend"

Voorzetsel-bijzin — voorzetsel direct na i

Het vijfde kenmerk in actie: het voorzetsel staat ongewoon — direct na de relatieve marker, zonder pronominaal suffix.

  • missa [i x ssaasey řkas-nni] ṯ ṯameqqranṯ "de tafel waar ik dat glas op heb gezet is groot"
  • ṯaḥenjiaṯ [i ɣaa ǧa umeddukeř] "een meisje dat een vriendje heeft" (letterlijk: "een meisje bij wie er een vriendje is")

15.3 Cleft-zinnen — "het is X die…"

Een cleft splitst de zin in een voorzin met d + element en een bijzin met de relatieve i.

  • (d) netta i ḏ-yusin nhar-a "het is hij die vandaag gekomen is"
  • (d) Mimun i zriy "het is Mimoun die ik zag"

15.4 Vraagwoord-vragen als cleft

Vraagwoord-vragen lijken syntactisch op cleft-zinnen, met twee verschillen:

  • Geen d vóór het vraagwoord
  • Geen i als relatieve marker

Voorbeelden:

  • wi ḏawem-ṯ-yennan? "wie heeft het jullie gezegd?"
  • min ḏ-yesya zi ssuq? "wat heeft hij van de markt meegebracht?"
  • meřmi ḏ ya ṯawḏenṯ? "wanneer komen jullie hier aan?"

Hoofdstuk 16 — Hulpwerkwoorden

📖 Boek p. 139–140

"Ik wil gaan", "ik begin te eten", "ik kan zwemmen". Tarifit construeert hulpwerkwoorden anders dan Nederlands: met twee volledig vervoegde werkwoorden naast elkaar.

16.1 Twee volledige werkwoorden naast elkaar

Waar Nederlands "ik wil gaan" gebruikt — met "gaan" in de infinitief — gebruikt Tarifit twee vervoegde werkwoorden, beide voor 1SG. Een verbale infinitief bestaat niet in Tarifit.

Voorbeelden:

  • yebda yetxemmem "hij begon na te denken" (letterlijk: "hij begon hij denkt na")
  • xsey ad meřcey "ik wil trouwen" (letterlijk: "ik wil ik zal trouwen")

Welk aspect bij welk hulpwerkwoord?

HulpwerkwoordVervolgBetekenis
xesad + Aoristwillen
zemmaaad + Aoristkunnen
ḇḏaImperfectiefbeginnen
qqimImperfectiefdoorgaan met, blijven
afP of I, naar contextvinden, aantreffen

Voorbeelden:

  • yebda usaaḏun nnes itett-iṯ "zijn muildier begon het op te eten"
  • yeqqim yeccat-iṯ itazzeř xas "hij bleef hem maar slaan en achter hem aan rennen"
  • yufi-ṯ yetxemmem "hij vond hem nadenkend (lopend, niet afgerond)"
  • yuf-iṯ yeffey "hij vond hem (al) naar buiten gegaan (afgerond)"

"Worden" — dweř

Voor verandering van toestand:

  • qa yedweř d aḏbib "hij is dokter geworden"
  • yedweř qaɛ yeggenfa "hij is helemaal genezen"

16.2 illa / belli "dat" — voegwoord van inhoud

Voor "[ik weet] dat…" gebruik je illa of belli:

  • yessen illa ad ariy "hij weet dat ik zal schrijven"
  • qa ṯessned illa d mmi-m "je weet dat het je zoon is"
  • teɛqr-iṯ illa d mmi-s "ze herkende dat hij haar zoon was"

Bij ontkenning gebruik je ma in plaats van illa:

  • waa ssiney ma yus-d "ik weet niet of hij gekomen is"
Twee soorten "dat"-zinnen

Het verschil tussen yessen illa… "hij weet dat…" (positief) en waa ssiney ma… "ik weet niet of…" (negatief) is een echte syntactische tweedeling: een feitelijke bewering vraagt illa / belli; een onbekend feit (twijfel of negatie) vraagt ma. Dat is hetzelfde patroon als bij vraagwoorden in indirecte vragen — zie Hoofdstuk 12.4.


Hoofdstuk 17 — Voegwoorden

📖 Boek p. 141–146

"En, of, maar, als, wanneer, omdat, zodat" — coördinatie en subordinatie. Een paar voegwoorden veroorzaken clitic-fronting (zie Hoofdstuk 7.3), de meeste niet.

17.1 Coördinatie — "en, of, maar"

d "en" — alleen voor naamwoorden

  • netta d umeddukeř nnes "hij en zijn vriend"
  • imendi d farina d yaaḏen "gerst, zacht graan en tarwe"

d verbindt nooit hele zinnen. Voor "en daarna" tussen zinnen gebruik je intonatie of een Aorist-vervolg.

niɣ "of"

  • ma yettef mliḥ niɣ lla? "houdt het goed, of niet?"
  • ma d azeggwaɣ niɣ d acemřař? "is het rood of wit?"

"Maar" — macca, walakin, walayenni, seɛɛa

Vier varianten met subtiel verschillende toon. macca en walakin zijn neutraal; walayenni klinkt formeler; seɛɛa introduceert vaak een onverwachte wending ("…maar in werkelijkheid").

  • qa yari mmi d waɛabib inu, macca waa ssiney mmi zeggw aɛabib inu "ik heb een zoon en een stiefzoon, maar ik kan ze niet uit elkaar houden"
  • … seɛɛa yiwi-ṯ-id yeddaa "…maar hij bracht hem levend terug"

"Noch … noch" — řa … řa (in negatie)

  • waa ɣaawem řa yemma-twem řa ɛenti-twem "jullie hebben noch een moeder noch een tante"

17.2 Subordinatie

Hypothese — mařa "als"

Voor reële conditie ("als / wanneer X gebeurt, dan Y"):

  • mařa ṯexseḏ a ḏam-ṯ-newc "als je wilt, geven we hem aan jou"
  • mařa waa ffiyenṯ ad ffyey necc "als ze niet uitgaan, zal ik zelf uitgaan"

Counterfactueel — mři, meɛlik "als (maar niet)"

Voor irreële voorwaarden — situaties die niet zijn gebeurd of niet kunnen gebeuren:

  • mři ḏ-usiy ifi cciy "als ik gekomen was, zou ik gegeten hebben"
  • meɛlik c-ṯuya d uma… "als je mijn broer was geweest…"

Het partikel ifi (zoals in ifi cciy) markeert hier de hypothetische uitkomst.

"Zelfs als" — waxxa

  • waxxa ṯemmuṯ waa nzemmaa a ṯ-necc "zelfs als ze dood was, konden we haar niet eten"

Tijd — umi, fami "toen (verleden)"

  • umi ṯ-yenya, ṯḥedd "toen hij hem gedood had, stond ze op"

Tijd — xmi, xemmi "wanneer (heden / toekomst)"

  • xemmi traggwaḥen ɣaa ṯaḏḏarṯ teqqar-asen attas "wanneer ze naar huis gaan, vertelt ze ze veel"

Andere voegwoorden

VoegwoordBetekenisTriggert clitic-fronting?
amenterwijl, zoalsnee
aṛtotja
aḥamitot (verleden)ja
ḥamatot, zodatnee
qbeřvoordatja
zegga, zeggw amisindsnee
awaṛn uminadatnee
puřki, lianna, laxataaomdatnee
ḥuma, ḥima, bašzodat, om tenee

Voorbeelden:

  • eefsey x uma amen yettes "ik stapte op mijn broer terwijl hij sliep"
  • yeggwa itett "hij liep en at (tegelijk)"
  • qbeř ya xeřgey usin-d lwalidin inu ɣaa Hulanḏa "voordat ik geboren werd, kwamen mijn ouders naar Nederland"
  • teggen řfaxaa ḥuma ad ssenwen lmakla "ze maken houtskool om eten te kunnen koken"
Welke voegwoorden triggeren clitic-fronting?

De temporele voegwoorden umi, xemmi, qbeř, aṛ én de counterfactuele mři, meɛlik veroorzaken clitic-fronting (clitica vóór het werkwoord). De doel-voegwoorden ḥuma, baš, puřki doen dat niet — daar blijft ad gewoon ad. Dat is geen willekeurige eigenaardigheid: de fronting-groep zijn allemaal voegwoorden die een gepresupponeerde of factieve clausule introduceren.


Hoofdstuk 18 — Voorbeeldteksten en dialogen

📖 Boek p. 147+

Het boek geeft volledige teksten waarin alles wat eerder behandeld is samenkomt. Hieronder een aantal handige zinnen, met verwijzingen waar in de cursus de constructie behandeld wordt.

18.1 Wat staat er in het boek

  1. Een autobiografische tekst over hoe sprookjes werden verteld in de Rif
  2. Een traditioneel sprookje "De parel-jongen en zijn moeder"
  3. Een fragment uit een Islamitische preek
  4. Korte traditionele izřan (tweeregelige liedjes)
  5. Dialogen — onder andere begroetingen

18.2 Handige zinnen uit de dialogen

Begroeting

  • aqq-ec mliḥ? "hoe gaat het met je? / ben je goed?" — pseudo-werkwoord aqqa (Hoofdstuk 8.3)

Uit het verhaal van Eali Amaziy

  • ma ṯettsed niɣ ɛaḏ waa ṯettiseḏ? "slaap je al, of nog niet?" — ja/nee-vraag (Hoofdstuk 12.1)
  • necc ɛaḏ waa ttisey ca "ik slaap nog niet" — Negatief Imperfectief (Hoofdstuk 13.5)

Uit het sprookje

  • yekkaa ijj uzedjid "er was eens een koning" — verhaal-opener met Perfectief
  • ɣaas ijjen yiyyaa n yaaḏen yemyaa "hij had een groot tarweveld" — bezit met ɣaa (Hoofdstuk 13.4)
Aanbevolen leesvolgorde

Begin met de korte dialogen — daar herken je het meest van wat in deze cursus aan bod is gekomen. Het sprookje is ideaal voor het oefenen van Aorist-narratieve vervolgketens (Hoofdstuk 4.3) en clitic-fronting na umi (Hoofdstuk 7.3). De Islamitische preek bevat veel formele Arabische leenwoorden en is qua spreektaal het minst direct bruikbaar.


Eindsamenvatting — De belangrijkste lessen

Een compacte terugblik op alle hoofdconcepten uit Mourigh & Kossmann (2019), in de volgorde waarin ze elkaar steunen.

De tien belangrijkste concepten

  1. Klinkers — drie echte (a, i, u) plus de schwa e. Donkere medeklinkers maken klinkers doffer.
  2. Drie r'sr (gewone), ř (uit historisch l), (donker). De r verdwijnt vaak en wordt een lange klinker (ɣaa uit oudere yar).
  3. Drie naamwoordklassen — Klasse I (Berber-stijl, met a-/ṯa-), Klasse II (Arabisch, met ř-, l- of verdubbeling), Klasse III (familietermen zonder voorvoegsel, met "mijn" ingebakken).
  4. Geslachtṯa-…-ṯ maakt een Klasse-I-woord vrouwelijk. Talen zijn altijd vrouwelijk; soms drukt M/V een groot-klein-onderscheid uit.
  5. Staat (FS / AS) — alleen Klasse I. Free State op zichzelf, vóór werkwoord, als direct object, getopicaliseerd, en na aṛ / ḇřa / amecnaw. Annexed State na werkwoord, na alle andere voorzetsels, post-topic, en na u-, ayṯ-, bu-, m(u)-.
  6. Werkwoord — vijf vormen — Aorist, Perfectief, Imperfectief, Negatief Perfectief, Negatief Imperfectief.
  7. Aspect, niet tijd — Tarifit codeert "hoe staat de actie ervoor" (afgerond / lopend / niet-gerealiseerd), niet wanneer. Tijd is een combinatie van aspect + partikels.
  8. VSO-woordvolgorde — Werkwoord eerst, dan onderwerp, dan rest. Onderwerp na werkwoord staat in AS.
  9. Voornaamwoorden plakken vast — aan werkwoord, voorzetsel of familiewoord. Vaste volgorde: Indirect Object — Direct Object — "hierheen". Springen naar voren in vijf situaties (Hoofdstuk 7.3).
  10. Vijf pseudo-werkwoordenqa (huidig relevant), ṯuya (verleden), aqqa (presentatief), tɣiř (perceptief), ay (aanbiedend). Geen aspect-vervoeging, wel clitic-suffixen.

Wat je nu hebt

Met deze samenvatting heb je de academische basis die Mourigh & Kossmann (2019) biedt. Je weet:

  • Welke woorden in welke klasse vallen, en hoe je hun staat herkent.
  • Hoe je zinnen vormt in elk van de aspectvormen.
  • Hoe pronominalisatie werkt — drie sets clitica, met clitic-fronting in vijf situaties.
  • Hoe ja/nee-vragen, vraagwoord-vragen en cleft-zinnen syntactisch verschillen.
  • Welke voegwoorden welke aspect- en clitic-gevolgen hebben.

Volgende stap

Dit is grammaticaal de complete basis. De volgende stap is van grammatica naar cursusmateriaal — uit deze structuren oefenblokken bouwen voor familie en mensen in de diaspora die Tarifit als heritage-taal willen leren of versterken.